Het had wat voeten in de aarde voordat vriendin S zich op het internet-daten durfde te storten. Zo moest er eerst gezocht worden naar een gunstige foto. Dat had ongeveer twee maanden nodig, of kwam dat soms doordat het grote internet zo eng leek? Nou ja, toen moest er natuurlijk nog een wervelende tekst onder dat - overigens nauwelijks zichtbare - plaatje van 2 bij 3 centimeter geschreven worden. En dat was ook nog een hele toer. Uiteindelijk mocht ik lezen wat het geworden was. Vol verwachting klopte mijn hart. Na zoveel tijd en moeite moest het wel iets moois zijn geworden. Iets bijzonders, dat meteen in het oog zou springen. Dat de mannen bij bosjes haar kant op zou trekken.
Niks bleek minder waar. Het was gewoon een leuke opsomming van haar karaktertrekken en wensen. Meer niet. Niks geks, niks extreems. Het had onder honderden foto's gepast. Maar vriendin S was er blij mee en de inhoud klopte op zich wel. Ik zou denken dat je zo'n tekst - zeker gelet op het feit dat taal haar werk is - in no time hebt verzonnen….maar misschien was de inhoud niet zozeer de moeilijkheid, maar ging het ook hier weer om koud-water-vrees. Gelukkig is S zo dat als ze iets dan toch éindelijk besloten heeft, ze wel lekker doorpakt. Dus mevrouw had zich meteen op meerdere sites aangemeld.
En dus kon het grote gluren beginnen. Hordes mannen scrolden onder onze muis en onze ogen door. Het leuke van die sites is dat ze matches voor je zoeken. Minder leuk is het als je een rijtje 'matches' onder elkaar ziet en moet constateren dat het allemaal vrij sneue figuren zijn. Tussen de DennisDeVikings en SimonSchatje's stikt het van de suffe foto's en vooral van de taalfouten. Wat is bijvoorbeeld een "vlote jongen"? Is dat een type dat een hele scheepsvloot tot zijn beschikking heeft of gaat het dan toch om een dyslexiepatiëntje? We vielen van de ene verbazing in de andere. Zo zijn er mannen die een 'businessclass-lady' zoeken. Waar vriendinnetje S dan weer fijntjes van vond dat ik zo'n typetje ben; en bedankt! Maar er zijn ook mannen die op de foto staan in één of ander beduimeld appartementje waar de rookaanslag van de muur afslaat en het nodig vinden om te vermelden dat ze heerlijk wonen in hun mooie koophuis. Met de nadruk op koop. Ook zijn er types die zichzelf omschrijven vanuit het perspectief van hun kind. Zeker gelezen dat mannen achter een kinderwagen extra sex-appeal hebben ofzo. We lachen, we sputteren, we twijfelen aan de echtheid van een goddelijke foto. Datingsites zijn schitterend. Een en al vertier. Ook voor mij. Toch fijn dat ik zelf niet meer hoef te zoeken…want het is niet zo makkelijk.
We willen immers helemaal geen koophuis, we willen geen kind van een andere moeder, we willen geen roker, we willen geen ondernemertje dat een vrouwtje zoekt om mee te pronken. We willen gewoon een heerlijke, lieve, gezellige leuke man. Nog eentje maar….voor S.
Femme fatale ('fatale vrouw'): een vrouw die haar schoonheid en seksualiteit gebruikt om mannen te verleiden. Een femme fatale is stijlvol, sterk, seksueel onafhankelijk en intelligent. Ze zal er alles aan doen om de situatie onder controle te houden. Fem Fataal: een brokkenpiloot met een zonnige kijk op het leven die veel lacht, zich vaak verbaast, mannen buitengewoon interessante wezens vindt, de liefde niet begrijpt en voor altijd naief zal blijven.
dinsdag 30 maart 2010
vrijdag 26 maart 2010
K** Kanker
Kanker. De ziekte die altijd een ver van mijn bed show leek, rukt steeds verder op mijn veilige wereldje in. Een tante die haar borsten moet missen en nu voor de tigste keer in het ziekenhuis ligt. De vriendin van X die de strijd op 31-jarige leeftijd al heeft verloren. Een rij prachtige jonge mensen op televisie die aan Yvon Jaspers vertellen dat ze dood gaan. Ik kijk elke week en elke week zit ik weer met tranen in mijn ogen.
Door de verhalen op tv realiseer ik me ineens wat X en zijn vrienden hebben gezien toen ze hun vriendin verloren. De vertwijfeling, de angst, het doorzettingsvermogen, de machteloosheid, de overgave en de achteruitgang. Ze was 31 toen ze stierf. Toen ze net zo oud was als ik nu ben, droomde ze gewoon over vakanties, over moeder worden. En een jaar later was er die ziekte al. Nooit zou ze moeder worden. Haar moeder zou haar overleven.
Ik laat mijn gedachten los en kijk weer naar Yvon Jaspers. Ze zit bij de danseres op de bank. De danseres met enorme littekens op haar buik en een bol gezichtje van de Prednison. Ze krijgt geen kinderen meer. En dat is erg. Niet voor haar hoor, zegt ze sterk. Maar als ze vertelt dat ze het zo erg vindt dat ze haar ouders geen opa en oma gaat maken, breekt ze. En ik breek mee... Vooral omdat haar vriend zo lief en dapper over haar been aait. Ik zie hem sterk zijn en weet hoe zijn leven zal worden zonder haar. De beste vriend van X maakt het allemaal door. De eerste weken alleen, de roes die verandert in een steeds normaler leven. De verandering van 'de man van' in de gewoon 'de man zonder'. Het besef dat je haar stem niet meer kunt herinneren. Het schuldgevoel omdat je verder gaat. En dat allemaal zo jong en zo zinloos.
Ik heb me maar aangemeld om te collecteren. Naast geld geven is er verder niet zoveel wat ik kan doen. Behalve stiekem bidden dat mij en mijn dierbaren dergelijk vreselijk leed bespaard zal blijven. En dat er ooit een medicijn wordt uitgevonden om een einde te maken aan die akelige K** Kanker.
Door de verhalen op tv realiseer ik me ineens wat X en zijn vrienden hebben gezien toen ze hun vriendin verloren. De vertwijfeling, de angst, het doorzettingsvermogen, de machteloosheid, de overgave en de achteruitgang. Ze was 31 toen ze stierf. Toen ze net zo oud was als ik nu ben, droomde ze gewoon over vakanties, over moeder worden. En een jaar later was er die ziekte al. Nooit zou ze moeder worden. Haar moeder zou haar overleven.
Ik laat mijn gedachten los en kijk weer naar Yvon Jaspers. Ze zit bij de danseres op de bank. De danseres met enorme littekens op haar buik en een bol gezichtje van de Prednison. Ze krijgt geen kinderen meer. En dat is erg. Niet voor haar hoor, zegt ze sterk. Maar als ze vertelt dat ze het zo erg vindt dat ze haar ouders geen opa en oma gaat maken, breekt ze. En ik breek mee... Vooral omdat haar vriend zo lief en dapper over haar been aait. Ik zie hem sterk zijn en weet hoe zijn leven zal worden zonder haar. De beste vriend van X maakt het allemaal door. De eerste weken alleen, de roes die verandert in een steeds normaler leven. De verandering van 'de man van' in de gewoon 'de man zonder'. Het besef dat je haar stem niet meer kunt herinneren. Het schuldgevoel omdat je verder gaat. En dat allemaal zo jong en zo zinloos.
Ik heb me maar aangemeld om te collecteren. Naast geld geven is er verder niet zoveel wat ik kan doen. Behalve stiekem bidden dat mij en mijn dierbaren dergelijk vreselijk leed bespaard zal blijven. En dat er ooit een medicijn wordt uitgevonden om een einde te maken aan die akelige K** Kanker.
Meneer de Haas
Ik stuur mijn auto (of hetgeen daar nog voor door moet gaan na twee botsinkjes in korte tijd) de bocht om. Mijn koplampen verlichten de verlaten straat. Ineens beweegt er iets voor me. Even denk ik nog dat het een frivole kat is die dartel over de weg danst. Maar als ik beter kijk zie ik dat het een haasje is dat de weg al hippend, sierlijk oversteekt. Een haasje! Aan de rand van mijn buurt zie ik af en toe een stel fazanten dat me het schijngevoel van wonen in de natuur bezorgt, maar een haas! Hier in mijn straat...tussen huizen, asfalt, klinkers, keurige gazonnetjes, ladingen grind en strakke bloemperken. Geen velden te bekennen tussen al deze wegen.
Het haasje rept zich voor me uit. Verder de straat in. Ik minder vaart en kijk vol medelijden toe hoe hij de afslag naar de natuur zoekt. Hij kan hem niet vinden. Want die afslag is hier niet. Nou ja, tenzij hij de ploemp in wil. Maar bij mijn weten kiest hij liever het hazenpad dan een duik in het water te nemen. Plotseling staat het haasje stil, recht voor mijn auto. Hij kijkt achterom, alsof hij mij om de weg wil vragen. Dan springt hij weg....recht voor me uit, verder en verder de straat in. Steeds verder de verkeerde kant op.
Ik parkeer mijn auto. Doof mijn lichten en blijf kijken tot ik het haasje niet meer kan zien. Ik voel me verdrietig over onze ontmoeting. En ik vraag me af waar het haasje vandaan komt. Woonde hij hier al voordat Vinex zijn intrek nam op zijn stukje land? Is hij gewoon telkens een beetje verhuisd als er weer een nieuw stuk beton werd opgetrokken. Werd zijn stukje groen steeds grijzer totdat hij het op een avond niet meer aankon en zijn spullen pakte om ervandoor te gaan? Op zoek naar een nieuw thuis? En was dat net het moment dat ik thuis kwam, niet in mijn buurt maar eigenlijk in zijn buurt... Meneer de Haas ik hoop dat je een mooi plekje hebt gevonden. En anders ben je welkom in onze tuin. Gras genoeg....en je mag er best een legertje in graven.
Het haasje rept zich voor me uit. Verder de straat in. Ik minder vaart en kijk vol medelijden toe hoe hij de afslag naar de natuur zoekt. Hij kan hem niet vinden. Want die afslag is hier niet. Nou ja, tenzij hij de ploemp in wil. Maar bij mijn weten kiest hij liever het hazenpad dan een duik in het water te nemen. Plotseling staat het haasje stil, recht voor mijn auto. Hij kijkt achterom, alsof hij mij om de weg wil vragen. Dan springt hij weg....recht voor me uit, verder en verder de straat in. Steeds verder de verkeerde kant op.
Ik parkeer mijn auto. Doof mijn lichten en blijf kijken tot ik het haasje niet meer kan zien. Ik voel me verdrietig over onze ontmoeting. En ik vraag me af waar het haasje vandaan komt. Woonde hij hier al voordat Vinex zijn intrek nam op zijn stukje land? Is hij gewoon telkens een beetje verhuisd als er weer een nieuw stuk beton werd opgetrokken. Werd zijn stukje groen steeds grijzer totdat hij het op een avond niet meer aankon en zijn spullen pakte om ervandoor te gaan? Op zoek naar een nieuw thuis? En was dat net het moment dat ik thuis kwam, niet in mijn buurt maar eigenlijk in zijn buurt... Meneer de Haas ik hoop dat je een mooi plekje hebt gevonden. En anders ben je welkom in onze tuin. Gras genoeg....en je mag er best een legertje in graven.
woensdag 24 maart 2010
Waar hij niet wil zijn
Acht uur 's morgens. Een gemiste oproep van mijn moeder. Meteen schiet door mijn hoofd dat er iets ergs moet zijn gebeurd. Ik denk aan pake. Hij is vast dood. Als ik terugbel is mama in gesprek. Geen goed teken, flitst er door mijn hoofd. Dan krijg ik haar te pakken en blijkt dat pake niet dood is. Gelukkig. Maar mama is verdrietig. Want pake is er vandoor gegaan. Midden in de nacht. Helemaal alleen.
Hij woont juist in de crisisopvang omdat hij er thuis iedere keer tussenuit piepte en het gevaarlijk werd. Maar als een ware Houdini heeft hij ook zijn uitvlucht uit die zwaarbeveiligde vesting gevonden. Hoe is het mogelijk? Zou hij alle deuren hebben gecontroleerd in de hoop dat er eentje per ongeluk niet goed afgesloten was? En had hij toevallig geluk? Wat zal hij een euforie hebben gevoeld toen hij de vrijheid tegemoet wandelde.
Ik probeer me voor te stellen hoe het moet voelen voor pake. Zijn verstand laat hem volledig in de steek, maar ergens in zijn hoofd zit continu het besef dat hij op een vreemde plaats is en dat hij naar huis moet. Wat een onrust. Toen hij tegen zijn nieuw gemaakte vriend zei dat die gewoon het gebouw uit moest lopen, lachten we erom. We wisten zeker dat pake zoiets nooit zou doen. Maar toch is hij vertrokken. Op weg naar beppe. Want hij miste haar zo, zei hij tegen de agenten die hem gelukkig hebben gevonden.
Ik moet een beetje lachen en voel me stiekem ook een beetje trots. Wilskracht zit kennelijk in de familie. Maar tegelijk zit er toch ook een klein steentje in mijn maag. Wat had er wel niet allemaal kunnen gebeuren? En wat zal er toch in pake zijn omgegaan toen hij ineens, in het donker, zonder jas, in wildvreemde omgeving rondschuifelde? Om nog maar niet te denken aan de enorme teleurstelling die hij zal hebben gevoeld toen ze hem niet naar beppe brachten. Terug naar de plaats waar hij niet wil zijn.
Hij woont juist in de crisisopvang omdat hij er thuis iedere keer tussenuit piepte en het gevaarlijk werd. Maar als een ware Houdini heeft hij ook zijn uitvlucht uit die zwaarbeveiligde vesting gevonden. Hoe is het mogelijk? Zou hij alle deuren hebben gecontroleerd in de hoop dat er eentje per ongeluk niet goed afgesloten was? En had hij toevallig geluk? Wat zal hij een euforie hebben gevoeld toen hij de vrijheid tegemoet wandelde.
Ik probeer me voor te stellen hoe het moet voelen voor pake. Zijn verstand laat hem volledig in de steek, maar ergens in zijn hoofd zit continu het besef dat hij op een vreemde plaats is en dat hij naar huis moet. Wat een onrust. Toen hij tegen zijn nieuw gemaakte vriend zei dat die gewoon het gebouw uit moest lopen, lachten we erom. We wisten zeker dat pake zoiets nooit zou doen. Maar toch is hij vertrokken. Op weg naar beppe. Want hij miste haar zo, zei hij tegen de agenten die hem gelukkig hebben gevonden.
Ik moet een beetje lachen en voel me stiekem ook een beetje trots. Wilskracht zit kennelijk in de familie. Maar tegelijk zit er toch ook een klein steentje in mijn maag. Wat had er wel niet allemaal kunnen gebeuren? En wat zal er toch in pake zijn omgegaan toen hij ineens, in het donker, zonder jas, in wildvreemde omgeving rondschuifelde? Om nog maar niet te denken aan de enorme teleurstelling die hij zal hebben gevoeld toen ze hem niet naar beppe brachten. Terug naar de plaats waar hij niet wil zijn.
EMDR
Piepjes. Elke maandagavond luister ik anderhalf uur naar piepjes. Omdat ze zeggen dat het helpt doe ik het. Maar ik snap er niks van. Hoe kunnen piepjes de stenen uit mijn rugzak halen? Hoe kunnen piepjes de tranen van mijn wangen vegen? Hoe kunnen piepjes het nu weer nu maken en toen écht toen?
Vraag niet hoe het kan, profiteer ervan! Dat is hoe ik er inmiddels tegenaan kijk. Oké, het is loeizwaar om iedere week het luikje naar de nare herinneringen open te trekken en alles te voelen wat ik toen niet aankon. Maar het werkt! Na maanden stug doorzetten voel ik ineens dat mijn rugzak iets makkelijker te dragen wordt. Voel ik ineens weer wie ik ben en besef ik beter hoe het hier en nu in elkaar zit. Niet elke nare herinnering sleept me meteen terug naar toen. Niet elk liedje van toen tovert een knoop in mijn maag. Niet elke gedachte aan een nare gebeurtenis brengt me tot tranen. Ik slik gewoon even, en ben weer in het nu.
En wat voor nu! Een nu waarin ik mezelf langzaam terugvind en ontdek dat ik eigenlijk helemaal niet zo'n druktemaker ben als ik dacht. Een nu waarin ik mezelf mag zijn, ook als ik even onuitstaanbaar ben. Een nu waarin ik niet meer bang ben. Onvoorstelbaar dat het kan. Niet bang zijn, gewoon voor niks. Vertrouwen voelen als ik nadenk over de toekomst. Zekerheid, veiligheid, maar nooit saai. Een prachtige combi.
Maandag weer naar de piepjes. Maandag weer even terug naar toen, maar de rest van de week ben ik gewoon weer FeM.
FEM - PTTS = BLIJ.
Vraag niet hoe het kan, profiteer ervan! Dat is hoe ik er inmiddels tegenaan kijk. Oké, het is loeizwaar om iedere week het luikje naar de nare herinneringen open te trekken en alles te voelen wat ik toen niet aankon. Maar het werkt! Na maanden stug doorzetten voel ik ineens dat mijn rugzak iets makkelijker te dragen wordt. Voel ik ineens weer wie ik ben en besef ik beter hoe het hier en nu in elkaar zit. Niet elke nare herinnering sleept me meteen terug naar toen. Niet elk liedje van toen tovert een knoop in mijn maag. Niet elke gedachte aan een nare gebeurtenis brengt me tot tranen. Ik slik gewoon even, en ben weer in het nu.
En wat voor nu! Een nu waarin ik mezelf langzaam terugvind en ontdek dat ik eigenlijk helemaal niet zo'n druktemaker ben als ik dacht. Een nu waarin ik mezelf mag zijn, ook als ik even onuitstaanbaar ben. Een nu waarin ik niet meer bang ben. Onvoorstelbaar dat het kan. Niet bang zijn, gewoon voor niks. Vertrouwen voelen als ik nadenk over de toekomst. Zekerheid, veiligheid, maar nooit saai. Een prachtige combi.
Maandag weer naar de piepjes. Maandag weer even terug naar toen, maar de rest van de week ben ik gewoon weer FeM.
FEM - PTTS = BLIJ.
woensdag 17 maart 2010
Milly
Ik wilde een stukje schrijven over Milly. Maar het lukt niet. Soms zijn er gewoon geen woorden voor de wreedheid van de mens en voor het gemis van een kind. Dus zwijgen mijn vingers op het toetsenbord en denk ik aan Milly, hopend dat haar laatste uren gelukkig waren en dat haar dood plotseling kwam, zonder pijn.
vrijdag 12 maart 2010
Meisjes
Ik zie haar zitten en zeg zacht tegen de televisie; "Och meisje toch". Ze laat zien hoe ze elke nacht aan een zak met voeding vastzit via een slangetje in haar borst. Dapper trekt ze haar jurk omhoog en toont ze haar stoma, met daarnaast een jaap in haar buik van boven tot onder. Ietwat cynisch zegt ze dat haar lichaam altijd haar instrument was en dat ze eigenlijk een prachtige buik had. Tja, die zou ze wel heel graag terug willen hebben. Ze zegt het met berusting. Want een strak buikje is wel het laatste waar ze zich druk om maankt. Ze gaat toch dood. Darmkanker.
Ik zie haar zitten aan de andere kant van mijn tafel en denk af en toe: "Och, meisje toch". Amper vijftig kilo, het lichaam van een kind. Maar officieel volwassen. En ze zegt het niet, maar ik weet dat ze in haar korte leven al meer nare dingen heeft gezien dan de meeste mensen in een heel leven. Ze kent hier niemand en daarom wilde ze mij leren kennen. Om meisjesdingen te doen. Lekker shoppen of gewoon samen eten. Later, als alles beter is, wil ze advocaat worden. Nu maakt ze zich vooral zorgen om haar veiligheid.
"Och meisje toch." Denk ik als ik in de spiegel kijk. Wat ben je toch een akelige tuttebol! Altijd maar zeuren over de lellende vellen op je buik. Altijd maar rondzeulen met de gevolgen van een nare tijd. Tuurlijk, ieders eigen pakje draagt het zwaarst. Maar er zijn zoveel meisjes die het 1000 maal slechter hebben dan ik. En het is heel erg goed om daar van doordrongen te zijn.
"Meisje, meisje, tel je zegeningen".... Zoiets zou mijn oma zeggen.
Ik zie haar zitten aan de andere kant van mijn tafel en denk af en toe: "Och, meisje toch". Amper vijftig kilo, het lichaam van een kind. Maar officieel volwassen. En ze zegt het niet, maar ik weet dat ze in haar korte leven al meer nare dingen heeft gezien dan de meeste mensen in een heel leven. Ze kent hier niemand en daarom wilde ze mij leren kennen. Om meisjesdingen te doen. Lekker shoppen of gewoon samen eten. Later, als alles beter is, wil ze advocaat worden. Nu maakt ze zich vooral zorgen om haar veiligheid.
"Och meisje toch." Denk ik als ik in de spiegel kijk. Wat ben je toch een akelige tuttebol! Altijd maar zeuren over de lellende vellen op je buik. Altijd maar rondzeulen met de gevolgen van een nare tijd. Tuurlijk, ieders eigen pakje draagt het zwaarst. Maar er zijn zoveel meisjes die het 1000 maal slechter hebben dan ik. En het is heel erg goed om daar van doordrongen te zijn.
"Meisje, meisje, tel je zegeningen".... Zoiets zou mijn oma zeggen.
donderdag 11 maart 2010
Het eind van de wereld
Ik klik van de een naar de ander en kom opeens op een profiel van iemand terecht die met grote stelligheid beweert dat onze aarde op 12 juni 2012 zal vergaan. Ik moet lachen en kijk nieuwsgierig even rond om te lezen van deze persoon allemaal beweert. Hij of zij (wil anoniem blijven kennelijk) komt nogal boos en geïrriteerd over. Hij (laten we voor het gemak spreken van een hij) vindt vooral mensen die werken om geld te verdienen nogal stom, geloof ik. En beweert dus dat vooral die mensen het niet lang meer zullen maken. O jee! Kennelijk vergaat de wereld in zijn optiek maar half, want als ik het goed begrijp mogen "zij die het begrijpen" blijven leven. Wat we dan zouden moeten begrijpen, wordt me niet helemaal duidelijk, dus ik lees - niet gehinderd door enige kennis en verrast door zoveel lariekoek - vrolijk verder. Totdat het me te gortig wordt en vooral te negatief en ik gewoon weer op het volgende profiel klik.
Maar nu zit ik hier, al kauwend op een tzatziki salade met teveel knoflook, en begin ik me ineens toch van alles af te vragen. Ten eerste of X de knoflook nog zal ruiken als hij over vier uurtjes thuiskomt... Maar ook wat ik zou doen als ik zeker wist dat de wereld over twee jaar zou vergaan, of als ik daar in ieder geval heilig in zou geloven. Een moeilijke vraag. Maar één ding is zeker; ik zou me niet meer bezighouden met hyves. En ik zou ook zeker niet aan de hele wereld vertellen dat het zo is. Ten eerste omdat ik wel kan bedenken dat iedereen me dan voor gek zou verklaren. Maar ook omdat het wel handig is om alleen over die kennis te beschikken. Als iedereen het immers zou weten, zouden ze natuurlijk hetzelfde briljante plan als ik kunnen hebben. Want wat zou ik doen? Meteen stoppen met werken en een enorme lening bij de bank afsluiten om de laatste twee jaar van mijn leven lekker luxe van te kunnen leven. Terugbetalen hoeft tenslotte niet als we met zijn allen de pijp uit gaan. Ik zou reizen met X, van oost naar west en van noord naar zuid. Overal kijken waar de mooiste plek is om te sterven. Ik zou bootjevaren tot ik er genoeg van had. Ik zou elke avond dat ik thuis was op een (nep) berenvelletje voor de superdeluxe haard (die ik ook van het geleende geld zou kopen) liggen knabbelen aan heerlijke gerechtjes die we allemaal zouden laten brengen. Ik zou geen dag meer nadenken over de lijn of andere triviale uiterlijkheden, want dit lichaam hoeft toch geen veertig jaar meer mee, en hoeveel kan een mens aankomen in twee jaar?
Maar dat doe ik allemaal niet, omdat ik gewoon geloof dat ik nog wel vijftig jaar meega. En omdat ik geen zin heb om mijn leven door angst te laten beïnvloeden. Ik geniet gewoon. Ook van de dingen die 'moeten'. En dat bootje varen, reizen en haardvuurtje? Dat komt allemaal wel. Gelukkig heb ik nog genoeg leven voor me om hard te werken, genoeg geld te verdienen en vooral hard te genieten.
Maar misschien is het besef dat ik meteen zou stoppen met hyven wel een reden om daar ook gewoon nu eens van af te zien. Eigenlijk is er geen einde van de wereld voor nodig om je prioriteiten weer eens goed te bepalen.
Maar nu zit ik hier, al kauwend op een tzatziki salade met teveel knoflook, en begin ik me ineens toch van alles af te vragen. Ten eerste of X de knoflook nog zal ruiken als hij over vier uurtjes thuiskomt... Maar ook wat ik zou doen als ik zeker wist dat de wereld over twee jaar zou vergaan, of als ik daar in ieder geval heilig in zou geloven. Een moeilijke vraag. Maar één ding is zeker; ik zou me niet meer bezighouden met hyves. En ik zou ook zeker niet aan de hele wereld vertellen dat het zo is. Ten eerste omdat ik wel kan bedenken dat iedereen me dan voor gek zou verklaren. Maar ook omdat het wel handig is om alleen over die kennis te beschikken. Als iedereen het immers zou weten, zouden ze natuurlijk hetzelfde briljante plan als ik kunnen hebben. Want wat zou ik doen? Meteen stoppen met werken en een enorme lening bij de bank afsluiten om de laatste twee jaar van mijn leven lekker luxe van te kunnen leven. Terugbetalen hoeft tenslotte niet als we met zijn allen de pijp uit gaan. Ik zou reizen met X, van oost naar west en van noord naar zuid. Overal kijken waar de mooiste plek is om te sterven. Ik zou bootjevaren tot ik er genoeg van had. Ik zou elke avond dat ik thuis was op een (nep) berenvelletje voor de superdeluxe haard (die ik ook van het geleende geld zou kopen) liggen knabbelen aan heerlijke gerechtjes die we allemaal zouden laten brengen. Ik zou geen dag meer nadenken over de lijn of andere triviale uiterlijkheden, want dit lichaam hoeft toch geen veertig jaar meer mee, en hoeveel kan een mens aankomen in twee jaar?
Maar dat doe ik allemaal niet, omdat ik gewoon geloof dat ik nog wel vijftig jaar meega. En omdat ik geen zin heb om mijn leven door angst te laten beïnvloeden. Ik geniet gewoon. Ook van de dingen die 'moeten'. En dat bootje varen, reizen en haardvuurtje? Dat komt allemaal wel. Gelukkig heb ik nog genoeg leven voor me om hard te werken, genoeg geld te verdienen en vooral hard te genieten.
Maar misschien is het besef dat ik meteen zou stoppen met hyven wel een reden om daar ook gewoon nu eens van af te zien. Eigenlijk is er geen einde van de wereld voor nodig om je prioriteiten weer eens goed te bepalen.
dinsdag 9 maart 2010
Foetus
Terwijl mijn hoofd op knieën rust en ik tussen mijn benen door naar mijn roze-gelakte teennagels staar, voel ik het warme water van de douche over mijn rug stromen. Mijn hoofd draait op volle toeren. Eerst bedenk ik me dat het eigenlijk heel lekker zit zo, in deze houding. Ik vraag me af hoe het zou komen dat ik vroeger nooit lekker zat als ik mijn knieën optrok. Zou het komen doordat er minder vet om mijn botten zit? Of is het juist doordat ik eindelijk eens wat spieren ontwikkel? Zou ik toch nog eens een elastiekje worden?
Dan bedenk ik me dat dit natuurlijk de foetus-houding wordt genoemd en herinner ik me collega W die ooit - na een semi-kwetsende opmerking van een ander - opmerkte dat ik die avond wel weer in foetus-houding onder de douche zou eindigen. Haar opmerking had een beetje hetzelfde effect als de vaste grap van pake dat wij als kleinkinderen al het eten onder onze neus stopten. Jaren heb ik naar die opmerking geluisterd en beelden voor me gezien van mij en mijn neefjes en nichtjes die eten tegen de onderkant van onze neuzen aanduwden. Totdat ik op een dag, na de honderdste keer pake te hebben aangehoord, eens goed om me heen keek en me besefte dat mijn mond NATUURLIJK onder mijn neus zat. Ik weet nog dat ik het toen uitriep en iedereen me verbaasd aankeek. Zij bleken het allang door te hebben. Zelden voelde ik me zo dom. En terwijl ik hier zo onder de douche zit - in foetushouding - realiseer ik me dat ik weer een "eten onder de neus" ervaring heb gehad. Toen collega W het zei zag ik mezelf liggend op mijn zij, met opgetrokken knietjes, onder de douche liggen en bedacht ik me meteen dat dat echt niet zou passen in mijn douchebak en dat ik dan vast water in mijn oren zou krijgen. Vol overtuiging riep ik toen dat ik zoiets nooit deed en voelde ik me op dat moment alles behalve zielig.
Maar nu zit ik hier dus. Zoals bijna elke dag. In foetus-houding. En mijn hoofd vertelt me ineens dat het best gek is dat ik altijd onder de douche wil zitten. Mijn lijf vertelt me dat het helemaal niet gek is. Ik ben gewoon te moe. En ineens weet ik dat het klopt. Ik doe dit immers pas sinds ik de minder mooie kanten van het leven heb leren kennen. Kennelijk kan ik gewoon niet meer op mijn benen staan. Dan bedenk ik dat ik vast gauw weer opsta en dat er tijden komen dat ik nooit meer onder de douche wil zitten. Benoem ik het douchen gewoon als mijn manier om mijn dag te verwerken en tot rust te komen voor de nacht.
Mijn gedachten dwalen al weer af als ik mijn rode vingernagels zie. Hmm, best mooi, maar ik krijg er wel oude handen van. Handen van een dertiger…. Ach, het is tijd om op te staan, de kraan dicht te draaien en ook mijn gedachtenstroom te stoppen. Genoeg gedoucht en gedacht voor vandaag. Morgen toch maar eens proberen te staan.
Dan bedenk ik me dat dit natuurlijk de foetus-houding wordt genoemd en herinner ik me collega W die ooit - na een semi-kwetsende opmerking van een ander - opmerkte dat ik die avond wel weer in foetus-houding onder de douche zou eindigen. Haar opmerking had een beetje hetzelfde effect als de vaste grap van pake dat wij als kleinkinderen al het eten onder onze neus stopten. Jaren heb ik naar die opmerking geluisterd en beelden voor me gezien van mij en mijn neefjes en nichtjes die eten tegen de onderkant van onze neuzen aanduwden. Totdat ik op een dag, na de honderdste keer pake te hebben aangehoord, eens goed om me heen keek en me besefte dat mijn mond NATUURLIJK onder mijn neus zat. Ik weet nog dat ik het toen uitriep en iedereen me verbaasd aankeek. Zij bleken het allang door te hebben. Zelden voelde ik me zo dom. En terwijl ik hier zo onder de douche zit - in foetushouding - realiseer ik me dat ik weer een "eten onder de neus" ervaring heb gehad. Toen collega W het zei zag ik mezelf liggend op mijn zij, met opgetrokken knietjes, onder de douche liggen en bedacht ik me meteen dat dat echt niet zou passen in mijn douchebak en dat ik dan vast water in mijn oren zou krijgen. Vol overtuiging riep ik toen dat ik zoiets nooit deed en voelde ik me op dat moment alles behalve zielig.
Maar nu zit ik hier dus. Zoals bijna elke dag. In foetus-houding. En mijn hoofd vertelt me ineens dat het best gek is dat ik altijd onder de douche wil zitten. Mijn lijf vertelt me dat het helemaal niet gek is. Ik ben gewoon te moe. En ineens weet ik dat het klopt. Ik doe dit immers pas sinds ik de minder mooie kanten van het leven heb leren kennen. Kennelijk kan ik gewoon niet meer op mijn benen staan. Dan bedenk ik dat ik vast gauw weer opsta en dat er tijden komen dat ik nooit meer onder de douche wil zitten. Benoem ik het douchen gewoon als mijn manier om mijn dag te verwerken en tot rust te komen voor de nacht.
Mijn gedachten dwalen al weer af als ik mijn rode vingernagels zie. Hmm, best mooi, maar ik krijg er wel oude handen van. Handen van een dertiger…. Ach, het is tijd om op te staan, de kraan dicht te draaien en ook mijn gedachtenstroom te stoppen. Genoeg gedoucht en gedacht voor vandaag. Morgen toch maar eens proberen te staan.
Diepgang
Vaak lees ik over wetenschappelijke onderzoeken en vraag ik me af; wat is hiervan in vredesnaam het nut en waarom geven we daar zoveel geld aan uit?! Maar vandaag niet. Vandaag las ik over de uitkomst van een wetenschappelijk onderzoek dat weer een klein hoekje van mijn karakter oppoetste. Niks geldverspilling, niks nutteloos. Precies wat ik wilde lezen.
Waar ging het over? Over oppervlakkige gesprekken. Die maken ongelukkig. De hele dag over koetjes en kalfjes en je kunt naar de slachtbank. Nee, mensen die in een conversatie veel van zichzelf leggen zijn over het algemeen gelukkiger. Komt dat even goed uit! Vanaf nu dus nooit meer de neiging om een vuist in mijn mond te stoppen om de onuitputtelijke woordenstroom over de meest intieme onderwerpen af te breken. Vanaf nu dus nooit meer de aandrang om mijn eigen tong af te bijten nadat ik weer eens een minder sterke kant van mezelf naar voren heb gebracht. Nooit meer naar huis fietsen en mezelf onderweg voor het hoofd slaan omdat ik weer eens het achterste van die - nog steeds niet afgebeten - tong heb laten zien aan mensen die ik amper ken.
Ook het zinnetje in het onderzoeksrapport dat "mensen die veel met anderen converseren gelukkiger zijn dan mensen die meer op zichzelf zijn" sprak mij erg aan. Laat die collega's en vriendinnen maar roepen dat ik nooit "uit sta" en dat ik een kletskont, kwebbelkous, praatjesmaakster, flapuit, of ratel ben. Ik ben gewoon heel erg goed in mezelf gelukkig maken. En als de rest van de wereld dat nou ook eens zou zijn?!
Dan zou ik nooit meer verlangen naar een achtergrond muziekje in de wachtkamer van de tandarts, dan zou ik nooit meer een pijnlijke stilte ervaren als ik met wildvreemde mensen zat te wachten tot een cursus begon en zouden de bus- en treinritjes een stuk sneller voorbij gaan. Praten, converseren en écht leren kennen tot je niet meer gelukkiger kan worden. Maar misschien moeten ze dan nog wel even onderzoeken of anderen wel op mijn diepgang zitten te wachten….
Waar ging het over? Over oppervlakkige gesprekken. Die maken ongelukkig. De hele dag over koetjes en kalfjes en je kunt naar de slachtbank. Nee, mensen die in een conversatie veel van zichzelf leggen zijn over het algemeen gelukkiger. Komt dat even goed uit! Vanaf nu dus nooit meer de neiging om een vuist in mijn mond te stoppen om de onuitputtelijke woordenstroom over de meest intieme onderwerpen af te breken. Vanaf nu dus nooit meer de aandrang om mijn eigen tong af te bijten nadat ik weer eens een minder sterke kant van mezelf naar voren heb gebracht. Nooit meer naar huis fietsen en mezelf onderweg voor het hoofd slaan omdat ik weer eens het achterste van die - nog steeds niet afgebeten - tong heb laten zien aan mensen die ik amper ken.
Ook het zinnetje in het onderzoeksrapport dat "mensen die veel met anderen converseren gelukkiger zijn dan mensen die meer op zichzelf zijn" sprak mij erg aan. Laat die collega's en vriendinnen maar roepen dat ik nooit "uit sta" en dat ik een kletskont, kwebbelkous, praatjesmaakster, flapuit, of ratel ben. Ik ben gewoon heel erg goed in mezelf gelukkig maken. En als de rest van de wereld dat nou ook eens zou zijn?!
Dan zou ik nooit meer verlangen naar een achtergrond muziekje in de wachtkamer van de tandarts, dan zou ik nooit meer een pijnlijke stilte ervaren als ik met wildvreemde mensen zat te wachten tot een cursus begon en zouden de bus- en treinritjes een stuk sneller voorbij gaan. Praten, converseren en écht leren kennen tot je niet meer gelukkiger kan worden. Maar misschien moeten ze dan nog wel even onderzoeken of anderen wel op mijn diepgang zitten te wachten….
zondag 7 maart 2010
Onderweg
Happiness is a journey, not a destination. Geluk is een reis, geen bestemming.
Een prachtige tekst, afkomstig van Bhoeddisten. Ik kreeg hem ooit van een niet nader te noemen persoon voor mijn verjaardag. Lange tijd hing de tekst aan de muur, maar door mijn nieuwe start was er geen ruimte meer in mijn huis, hoofd en hart voor herinneringen aan de gever van de tekst. Dus nu ligt hij ergens op zolder achter een deurtje. Gelukkig zijn sommige dingen sterker dan zolders en deurtjes. Sommige dingen nestelen zich vast in je hoofd.
Zo nu en dan danst de zin ineens weer door mijn gedachten. En voel ik de zon van het moment dat ik de tekst kreeg en hoe ik me toen, ondanks de schoonheid van het kado, doodongelukkig voelde. Ik weet nog dat ik toen hoopte dat ik ooit het goede reisschema zou vinden en me los kon maken van de verkeerde reisgenoot. Ik weet nog dat de tekst me hoop gaf, maar tegelijk ook lastig voor me was. Want als de reis geluk moest brengen, was ik niet goed bezig. Ik hoopte juist dat geluk hetgene was dat me wachtte als ik maar even doorzette, nog heel even volhield.
Vandaag komt de zin ineens weer naar bovendrijven op de zee van mijn gedachten. Niet omdat ik nog steeds hoop dat de reis eindelijk eens wat leuker wordt. Nee, juist omdat het voelt alsof ik mijn bestemming heb bereikt. Voor het eerst begrijp ik de zin beter, of anders. Voor het eerst merk ik dat ik echt op reis ben. Het kwartje valt. Natuurlijk is geluk niet de bestemming. Dat zou immers betekenen dat het leven op enig moment een stilstaand geheel moet worden. En het leven is alles behalve een stilstaand geheel. Ja, in theorie zou ik tot in de eeuwigheid hier in huis kunnen blijven. Maar ook dan zou alles veranderen. Die prachtige film is straks niet meer op televisie. De geur van mijn pasgebakken taart zal langzaam vervliegen. Het vol verwachting op X wachten zal veranderen in blijdschap zodra hij thuiskomt. En dit stukje is straks geschreven. Mijn gedachten zullen afdwalen en de radiator zal automatisch uitgaan. De zon zal ondergaan en ik zal op enig moment vast wel weer eens moeten plassen. Dus niets blijft zoals het is, zelfs de kleinste dingen kun je niet vastzetten. Het leven is de reis. En ik ben een hele gelukkige reiziger.
Natuurlijk zal ik onderweg wel weer eens in een verkeerde taxi stappen of een hotel boeken waar de ontvangst minder hartelijk is. Natuurlijk zal ik wel weer eens een afslag missen en het gevoel krijgen dat ik verdwaald ben. Maar zolang ik de goede reisgenoot heb en kan bouwen op de goede gidsen die mijn ouders altijd zijn geweest, zal geluk met mij zijn en de reis veraangenamen.
Een prachtige tekst, afkomstig van Bhoeddisten. Ik kreeg hem ooit van een niet nader te noemen persoon voor mijn verjaardag. Lange tijd hing de tekst aan de muur, maar door mijn nieuwe start was er geen ruimte meer in mijn huis, hoofd en hart voor herinneringen aan de gever van de tekst. Dus nu ligt hij ergens op zolder achter een deurtje. Gelukkig zijn sommige dingen sterker dan zolders en deurtjes. Sommige dingen nestelen zich vast in je hoofd.
Zo nu en dan danst de zin ineens weer door mijn gedachten. En voel ik de zon van het moment dat ik de tekst kreeg en hoe ik me toen, ondanks de schoonheid van het kado, doodongelukkig voelde. Ik weet nog dat ik toen hoopte dat ik ooit het goede reisschema zou vinden en me los kon maken van de verkeerde reisgenoot. Ik weet nog dat de tekst me hoop gaf, maar tegelijk ook lastig voor me was. Want als de reis geluk moest brengen, was ik niet goed bezig. Ik hoopte juist dat geluk hetgene was dat me wachtte als ik maar even doorzette, nog heel even volhield.
Vandaag komt de zin ineens weer naar bovendrijven op de zee van mijn gedachten. Niet omdat ik nog steeds hoop dat de reis eindelijk eens wat leuker wordt. Nee, juist omdat het voelt alsof ik mijn bestemming heb bereikt. Voor het eerst begrijp ik de zin beter, of anders. Voor het eerst merk ik dat ik echt op reis ben. Het kwartje valt. Natuurlijk is geluk niet de bestemming. Dat zou immers betekenen dat het leven op enig moment een stilstaand geheel moet worden. En het leven is alles behalve een stilstaand geheel. Ja, in theorie zou ik tot in de eeuwigheid hier in huis kunnen blijven. Maar ook dan zou alles veranderen. Die prachtige film is straks niet meer op televisie. De geur van mijn pasgebakken taart zal langzaam vervliegen. Het vol verwachting op X wachten zal veranderen in blijdschap zodra hij thuiskomt. En dit stukje is straks geschreven. Mijn gedachten zullen afdwalen en de radiator zal automatisch uitgaan. De zon zal ondergaan en ik zal op enig moment vast wel weer eens moeten plassen. Dus niets blijft zoals het is, zelfs de kleinste dingen kun je niet vastzetten. Het leven is de reis. En ik ben een hele gelukkige reiziger.
Natuurlijk zal ik onderweg wel weer eens in een verkeerde taxi stappen of een hotel boeken waar de ontvangst minder hartelijk is. Natuurlijk zal ik wel weer eens een afslag missen en het gevoel krijgen dat ik verdwaald ben. Maar zolang ik de goede reisgenoot heb en kan bouwen op de goede gidsen die mijn ouders altijd zijn geweest, zal geluk met mij zijn en de reis veraangenamen.
donderdag 4 maart 2010
Reclame
We rijden in het donker. Het licht van de lantaarnpalen valt naar binnen in de auto. Van paal naar paal, lamp aan, lamp uit. Het is bijna hypnotiserend. Het is al laat en ik voel me rozig. Geen auto's om ons heen. Ik staar voor me uit. Dan vangt een reclamebord mijn blik. Ik zie in een flits een mager meisje met een mooi gezichtje. Haar lichaam is gehuld in een suterige, vale spijkerbroek met een suffig blauw-wit gestreept truitje dat me doet denken aan de marine-mode van de jaren tachtig. Ze heeft haar lichaam in een houding gemanouvreerd die ik nog nooit heb aangenomen (als je de keren dat ik met de fiets onderuit ging buiten beschouwing laat).
Rozig, maar onverwacht scherp, vraag ik me ineens af hoe het toch kan dat ze zulke lelijke kleren op een reclamebord gooien. Oké, in de flits zag ik nog wel dat het allemaal geen drol kostte (zoals trouwens alles bij mijn vrienden Hennes en Maurits), maar dat maakt natuurlijk nog niet dat ik in een apepakkie wil gaan lopen. Het model kon het hebben, maar die zou er nog goddelijk uitzien in een vuilniszak (en dat geldt echt niet voor iedereen, weet ik sinds ik een keer bij gebrek aan een regenpak een vuilniszak heb omgeknipt tot jas).
Voordat ik al mijn gedachten over zoveel lelijkheid op een reclamebord heb kunnen ordenen, doemt een nog veel groter bord op. Ik zie Frans Bouwer en een meiske met een onbestemde etnische achtergrond. Net als ik dacht dat de kleren van H&M het toppunt van slechte smaak waren, realiseer ik me dat de ruitjesblouse van Frans, in wit, oranje, paars en blauw, alle verbeelding tart. Het arme, rasloze (of multiraciale) meiske staat er zelfs bij in een oversized oranje fleece-jack. En dan wil ik het nog niet eens hebben over haar merkwaardige kapsel of over de bleke - en inmiddels ook weer dikke - kop van Frans. Het geheel is qua kleding al schrikbarend genoeg.
Terwijl X de auto weer onder een rij lantaarnpalen doorstuurt, blijven mijn gedachten bij reclameborden en lelijkheid. Het is een wereld die mij totaal onbekend is. Ik dacht nog dat het in reclame altijd ging om het weergeven van de mooiste kant van het leven en van mensen. Het aanspreken van de potentiele kopers. Kennelijk heb ik het mis. Ik probeer de achterliggende psychologie te doorgronden en kijk inmiddels wat bewuster om me heen, zoekend naar een nieuw reclamebord. En dan ineens, staat daar het bord met de aanplakbiljetten voor de gemeenteraadsverkiezingen. Geen reclame voor een product of dienst, maar voor een idee. Voor een gevoel, een smaak, een stroming. Ik lees in een flits: "Stem Homme.....Verdomme".
Ik knipper met mijn ogen. Staat het er echt? Het staat er echt!!! En dan weet ik zeker dat ik reclame al lang niet meer begrijp. Om me ineens ook het spotje voor een hoestdrankje herinner waarin een meisje achtereenvolgens de hoest van haar vader nadoet en die van haarzelf speelt. Ik hoor totaal geen verschil en erger me telkens weer aan de suffe moeder die bloedserieus het middeltje aansmeert. Zouden mensen het echt meer gaan kopen nu? Zouden mensen ook op Homme hebben gestemd? Ver*****, waar zijn we mee bezig?
Rozig, maar onverwacht scherp, vraag ik me ineens af hoe het toch kan dat ze zulke lelijke kleren op een reclamebord gooien. Oké, in de flits zag ik nog wel dat het allemaal geen drol kostte (zoals trouwens alles bij mijn vrienden Hennes en Maurits), maar dat maakt natuurlijk nog niet dat ik in een apepakkie wil gaan lopen. Het model kon het hebben, maar die zou er nog goddelijk uitzien in een vuilniszak (en dat geldt echt niet voor iedereen, weet ik sinds ik een keer bij gebrek aan een regenpak een vuilniszak heb omgeknipt tot jas).
Voordat ik al mijn gedachten over zoveel lelijkheid op een reclamebord heb kunnen ordenen, doemt een nog veel groter bord op. Ik zie Frans Bouwer en een meiske met een onbestemde etnische achtergrond. Net als ik dacht dat de kleren van H&M het toppunt van slechte smaak waren, realiseer ik me dat de ruitjesblouse van Frans, in wit, oranje, paars en blauw, alle verbeelding tart. Het arme, rasloze (of multiraciale) meiske staat er zelfs bij in een oversized oranje fleece-jack. En dan wil ik het nog niet eens hebben over haar merkwaardige kapsel of over de bleke - en inmiddels ook weer dikke - kop van Frans. Het geheel is qua kleding al schrikbarend genoeg.
Terwijl X de auto weer onder een rij lantaarnpalen doorstuurt, blijven mijn gedachten bij reclameborden en lelijkheid. Het is een wereld die mij totaal onbekend is. Ik dacht nog dat het in reclame altijd ging om het weergeven van de mooiste kant van het leven en van mensen. Het aanspreken van de potentiele kopers. Kennelijk heb ik het mis. Ik probeer de achterliggende psychologie te doorgronden en kijk inmiddels wat bewuster om me heen, zoekend naar een nieuw reclamebord. En dan ineens, staat daar het bord met de aanplakbiljetten voor de gemeenteraadsverkiezingen. Geen reclame voor een product of dienst, maar voor een idee. Voor een gevoel, een smaak, een stroming. Ik lees in een flits: "Stem Homme.....Verdomme".
Ik knipper met mijn ogen. Staat het er echt? Het staat er echt!!! En dan weet ik zeker dat ik reclame al lang niet meer begrijp. Om me ineens ook het spotje voor een hoestdrankje herinner waarin een meisje achtereenvolgens de hoest van haar vader nadoet en die van haarzelf speelt. Ik hoor totaal geen verschil en erger me telkens weer aan de suffe moeder die bloedserieus het middeltje aansmeert. Zouden mensen het echt meer gaan kopen nu? Zouden mensen ook op Homme hebben gestemd? Ver*****, waar zijn we mee bezig?
dinsdag 2 maart 2010
Dood
En toen ging het ineens over de dood. Een woord waarbij ik bijna geneigd ben om het met hoofdletters te schrijven vanwege de zwaarte van de betekenis. De dood. Het is onvermijdelijk voor ons allemaal. De een is er bang voor. De ander hoopt er eeuwige rust in te vinden. Ik weet nog niet bij welk kamp ik hoor. Ik ben er niet bang voor, maar dat is vooral omdat het nog zover weg lijkt. Ooit komt Magere Hein me halen (en dat kan dan ook gewoon zijn voor een skivakantie, aangezien mijn liefste broer zo heet...maar mager is ie geloof ik niet echt). Zoveel is zeker. En tja, dood is dan gewoon dood. Dan is er niks meer aan te doen en zullen we wel zien of ik in de hemel komt, of dat ik mijn hele leven voor niks naar boven heb gekeken en gepraat in de veronderstelling dat er een hemel is.
Maar bij de dood hoort nog iets anders. Namelijk waar laat je het lijk? Mijn hele leven weet ik al dat ik begraven wil worden. Zelfs voordat ik ooit voet in een crematorium had gezet, leek begraven me de beste optie. Want cremeren vind ik zo'n vreselijke bedoening. Ten eerste het idee dat je al moet branden voordat ook maar sprake kan zijn van een vagevuur. Ten tweede de vraag of je wel echt verbrand wordt en niet stiekem op transport naar snijgrage geneeskunde-studenten wordt gezet. Maar erger dan dat is de manier waarop. Stel je nou toch voor dat je aan het eind van een groots en meeslepend leven in een kist terecht komt en dat ze die kist dan rijden naar een plaats zoals het crematorium in Goutum. Dan lig je daar met je goeie gedrag in een ruimte die zo ontieglijk treurniswekkend is dat zelfs de mensen die je stiekem vreselijk vonden de tranen in de ogen springen. Bakstenen muren die een beetje zijn opgeleukt met gekleurde houten panelen (in oranje en paars!!!!). Spuuglelijke stoeltjes die vreselijk zitten en nergens, werkelijk nergens iets moois te zien. Niets dat je aandacht kan trekken, zoals in een katholieke kerk. Gewoon totaal sjeu-loos. Nou, ik wil niet na een sjeu-vol leven sjeu-leus afscheid nemen. Want in een crematorium lijken zelfs de meest gloedvolle afscheidsredes saai en klinkt de muziek altijd schel en gevoelloos. In een crematorium bekruipt mij altijd het gevoel van: Is dit het nou? Heb je het hier nou voor gedaan? Ik kan dan maar aan één woord denken: Anti-climax.
Nou, bij mij geen anti-climax. Gewoon door bling-blingen na de dood. Dat is mijn devies. Dus ik hoop dat mijn nabestaanden tegen die tijd lekker naar een katholieke kerk togen en zich tijdens de afscheiddienst vergapen aan alle prachtige glas in loodramen, onderwijl luisterend naar schitterende muziek, kijkend naar stralende kaarsen en denkend aan hun krasse oma die tuttig is gebleven tot het eind. Even twijfelde ik over begraven. Want de deksel van menig kist bezwijkt binnen luttele seconden na het begraven onder het gewicht van de modder. En dan lig je daar dus in je goeie goed tussen de drek. En het beeld van oma in de kist, nu koud in de grond, laat me ook maar moeilijk los. Maar ik ben er wel uit. Want het feit dat ik elke dag langs de begraafplaats kan fietsen en dan in gedachten altijd even naar mijn lieve omaatje zwaai bezorgt me altijd een tevreden glimlach om mijn mond. En ik wil niks liever dan dat mijn nabestaande tegen die tijd ook een plaatsje hebben om zich te bezinnen op het leven en mij een beetje te gedenken. Dan maar met mijn goede goed in de drek. Of gewoon in een stalen kist.
Maar bij de dood hoort nog iets anders. Namelijk waar laat je het lijk? Mijn hele leven weet ik al dat ik begraven wil worden. Zelfs voordat ik ooit voet in een crematorium had gezet, leek begraven me de beste optie. Want cremeren vind ik zo'n vreselijke bedoening. Ten eerste het idee dat je al moet branden voordat ook maar sprake kan zijn van een vagevuur. Ten tweede de vraag of je wel echt verbrand wordt en niet stiekem op transport naar snijgrage geneeskunde-studenten wordt gezet. Maar erger dan dat is de manier waarop. Stel je nou toch voor dat je aan het eind van een groots en meeslepend leven in een kist terecht komt en dat ze die kist dan rijden naar een plaats zoals het crematorium in Goutum. Dan lig je daar met je goeie gedrag in een ruimte die zo ontieglijk treurniswekkend is dat zelfs de mensen die je stiekem vreselijk vonden de tranen in de ogen springen. Bakstenen muren die een beetje zijn opgeleukt met gekleurde houten panelen (in oranje en paars!!!!). Spuuglelijke stoeltjes die vreselijk zitten en nergens, werkelijk nergens iets moois te zien. Niets dat je aandacht kan trekken, zoals in een katholieke kerk. Gewoon totaal sjeu-loos. Nou, ik wil niet na een sjeu-vol leven sjeu-leus afscheid nemen. Want in een crematorium lijken zelfs de meest gloedvolle afscheidsredes saai en klinkt de muziek altijd schel en gevoelloos. In een crematorium bekruipt mij altijd het gevoel van: Is dit het nou? Heb je het hier nou voor gedaan? Ik kan dan maar aan één woord denken: Anti-climax.
Nou, bij mij geen anti-climax. Gewoon door bling-blingen na de dood. Dat is mijn devies. Dus ik hoop dat mijn nabestaanden tegen die tijd lekker naar een katholieke kerk togen en zich tijdens de afscheiddienst vergapen aan alle prachtige glas in loodramen, onderwijl luisterend naar schitterende muziek, kijkend naar stralende kaarsen en denkend aan hun krasse oma die tuttig is gebleven tot het eind. Even twijfelde ik over begraven. Want de deksel van menig kist bezwijkt binnen luttele seconden na het begraven onder het gewicht van de modder. En dan lig je daar dus in je goeie goed tussen de drek. En het beeld van oma in de kist, nu koud in de grond, laat me ook maar moeilijk los. Maar ik ben er wel uit. Want het feit dat ik elke dag langs de begraafplaats kan fietsen en dan in gedachten altijd even naar mijn lieve omaatje zwaai bezorgt me altijd een tevreden glimlach om mijn mond. En ik wil niks liever dan dat mijn nabestaande tegen die tijd ook een plaatsje hebben om zich te bezinnen op het leven en mij een beetje te gedenken. Dan maar met mijn goede goed in de drek. Of gewoon in een stalen kist.
zondag 28 februari 2010
Kroegpanter
Ik steek mijn arm door de vrije ruimte en probeer vervolgens de rest van mijn (gelukkig iets kleinere lichaam) tussen de mensenmenigte door te wurmen. Ik vraag me af welke onderdelen mijn onderdelen raken en trek kennelijk een gezicht waaraan valt af te lezen dat ik hier niet zo van houd. Aan het eind van de menselijke tunnel staat me dus ook meteen een grijnzend hoofd op te wachten dat hard zijn best doet mijn (overigens goddelijke) snoetje na te bootsen. Ik zie dat hij daar goed in denkt te slagen en roep van de weeromstuit maar iets gezelligs als: "O jee, morgen ben ik bont en blauw!". Het gezicht lacht om me en ik schuifel door naar de volgende menselijke draaikolk. Ik ben weer eens in de kroeg. Het is lang geleden. De kroeg en ik, geen match made in heaven. Eerder een haat-liefde verhouding. Terwijl ik hier sta met de cola spetters op en in mijn nieuwe laarzen en de nicotine-dampen in mijn neus en ogen (ik las ergens dat er een rookverbod geldt, zie je wel dat je de media niet kunt vertrouwen?!) weet ik weer waarom.
De liefde bestond uit het vooruitzicht van een lekker avondje dansen met mijn lieve vriendinnetje I. Uit het idee dat ik vast weer allemaal leuk, grappige gesprekken zou hebben en uit de verwachting met een dikke ego-boost naar huis te gaan. En toen kwam de realiteit en vervormde de liefde langzaamaan om naar haat. Een beetje zoals bij die ex die je eerst heel erg mist, totdat je hem ziet en je realiseert dat het een dikke eikel is in plaats van die leukerd die hij in je hoofd was geworden. Zo sta ik hier met mijn haren volgepompt met haarlak en mijn ogen volgesmeerd met make-up. Zo sta ik hier in mijn leuke nieuwe kleren, die morgen de badkamer zullen uitdrijven op de rookdampen die ik nu sta te vangen. En vraag ik me af waarom ik al die moeite heb gedaan... Ik ben geen kroegtijger. Hooguit een kroegpanter. En dat is dan ook alleen maar omdat ik een sjaal met panterprintje heb.
Wat is het toch dat de kroeg en ik elkaar niet zo liggen? Vroeger was de reden dat ik in de kroeg altijd meteen weer wist dat ik de minst aantrekkelijke was van mijn prachtige vriendinnetjes en dat ik het vooral van mijn karakter moest hebben. Een karakter waar de meeste mede-kroeggangers totaal geen boodschap aan hadden aangezien het niet zat ingepakt in een lekkere strakke spijkerbroek en een even strak pukkelloos gezichtje. Nu sta ik hier met de gewenste buitenkant, maar matcht mijn binnenkant niet meer zo lekker met de omgeving. Als ik om me heen kijk zie ik jongens van 22 die mij even scannen en voel ik me een ouwe taart. Zouden ze zien dat ik al bijna naar de brugklas ging toen zij uit de buik van hun moeder kwamen? Ik zie meisjes met naveltruitjes in de winter en baal dat ik daar nooit de buik voor heb gehad maar denk meteen: blaasontsteking!!!. Ik zie blozende roze wangetjes en besef me dat ik die alleen nog maar uit een potje kan krijgen. Ik voel me te oud en te serieus.
De kroeg en ik. We maken levensfases door die niet zo lekker op elkaar aansluiten. En dus zitten we niet op dezelfde golflengte. Maar dan knalt "Sax on fire" uit de boxen en wordt de ruimte gevuld met rook. Ik sluit mijn ogen en dans dat het een lieve lust is. Geen uiterlijk, geen innerlijk, gewoon de muziek en ik. En even wil ik hier voor altijd blijven. Om me bij het volgende trance-nummer meteen weer een 'kak-troela' te voelen en te verlangen naar een potje line-dancen met X in de kamer.
De liefde bestond uit het vooruitzicht van een lekker avondje dansen met mijn lieve vriendinnetje I. Uit het idee dat ik vast weer allemaal leuk, grappige gesprekken zou hebben en uit de verwachting met een dikke ego-boost naar huis te gaan. En toen kwam de realiteit en vervormde de liefde langzaamaan om naar haat. Een beetje zoals bij die ex die je eerst heel erg mist, totdat je hem ziet en je realiseert dat het een dikke eikel is in plaats van die leukerd die hij in je hoofd was geworden. Zo sta ik hier met mijn haren volgepompt met haarlak en mijn ogen volgesmeerd met make-up. Zo sta ik hier in mijn leuke nieuwe kleren, die morgen de badkamer zullen uitdrijven op de rookdampen die ik nu sta te vangen. En vraag ik me af waarom ik al die moeite heb gedaan... Ik ben geen kroegtijger. Hooguit een kroegpanter. En dat is dan ook alleen maar omdat ik een sjaal met panterprintje heb.
Wat is het toch dat de kroeg en ik elkaar niet zo liggen? Vroeger was de reden dat ik in de kroeg altijd meteen weer wist dat ik de minst aantrekkelijke was van mijn prachtige vriendinnetjes en dat ik het vooral van mijn karakter moest hebben. Een karakter waar de meeste mede-kroeggangers totaal geen boodschap aan hadden aangezien het niet zat ingepakt in een lekkere strakke spijkerbroek en een even strak pukkelloos gezichtje. Nu sta ik hier met de gewenste buitenkant, maar matcht mijn binnenkant niet meer zo lekker met de omgeving. Als ik om me heen kijk zie ik jongens van 22 die mij even scannen en voel ik me een ouwe taart. Zouden ze zien dat ik al bijna naar de brugklas ging toen zij uit de buik van hun moeder kwamen? Ik zie meisjes met naveltruitjes in de winter en baal dat ik daar nooit de buik voor heb gehad maar denk meteen: blaasontsteking!!!. Ik zie blozende roze wangetjes en besef me dat ik die alleen nog maar uit een potje kan krijgen. Ik voel me te oud en te serieus.
De kroeg en ik. We maken levensfases door die niet zo lekker op elkaar aansluiten. En dus zitten we niet op dezelfde golflengte. Maar dan knalt "Sax on fire" uit de boxen en wordt de ruimte gevuld met rook. Ik sluit mijn ogen en dans dat het een lieve lust is. Geen uiterlijk, geen innerlijk, gewoon de muziek en ik. En even wil ik hier voor altijd blijven. Om me bij het volgende trance-nummer meteen weer een 'kak-troela' te voelen en te verlangen naar een potje line-dancen met X in de kamer.
donderdag 25 februari 2010
Stoelen
Ik maak me druk over de rimpels die langzaamaan oprukken en proberen te verraden dat de dertig heel dichtbij komt. Ik stoor me aan de lellende vellen die het enige bewijs vormen dat ik ooit tjokvolle vetcellen had. Ik mopper over de blauwe kleur van de stoeltjes die X ooit heeft uitgezocht. Ik pruttel over krassen op de tafel.
En dan loop ik in Nieuw Toutenburg tussen de demente bejaarden. Ik kijk naar pake en zie ineens dat hij één van hen is. Een demente, verwarde, oude man. Geen seconde sta ik stil bij rimpels, lellende vellen of wat voor uiterlijkheden dan ook. Het enige wat ik doe is me afvragen wat er toch in zijn hoofd zou omgaan. Snapt hij wel waar hij is, waarom we zijn verjaardag niet thuis vieren, maar in dit troosteloze oord? Weet hij nog wel wie ik ben? Voelt hij zich verraden als we straks allemaal naar ons fijne huis gaan en hij wordt opgesloten in de kamer met het plasticken bed, samen met een volslagen onbekende man en vooral zonder beppe? Zonder de vrouw waar hij 55 jaar lang, nacht in nacht uit, naast heeft liggen snurken, slapen, dromen, piekeren.
In de auto naar huis ben ik stil. Het is een zeldzaamheid, maar soms heb ook ik even geen teksten meer. Het enige wat ik me bedenk is dat je je hele leven nog zo hard kunt werken en nog zo je best kunt doen om op de mooiste stoelen te kunnen zitten, als je dement wordt zit je gewoon op stoelen met een geplastificeerd zitvlak. Geen sjeu, geen design, geen kleur. Gewoon oude meuk. Treurnis op de vierkante centimeter. Enkel opgefleurd door tekeningen van kleinkinderen van andere demente bejaarden die misschien al jaren dood zijn.
Broerlief doorbreekt de stilte. Hij vat ons onbestemde gevoel samen door te zeggen dat hij alles uit het leven wil halen wat er in zit. Hij bedenkt dat het niet zinloos is om op mooie stoelen te zitten. Je moet het juist doen zolang het kan. Ik kan niet anders dan hem gelijk geven. En bedenken dat ik heel veel rimpels hoop te krijgen en daar nog heel lang naar te mogen kijken in de spiegel... Onderwijl lachend naar mezelf en om mezelf. Hopend dat ik nét voor de laatste halte de trein kan verlaten.
En dan loop ik in Nieuw Toutenburg tussen de demente bejaarden. Ik kijk naar pake en zie ineens dat hij één van hen is. Een demente, verwarde, oude man. Geen seconde sta ik stil bij rimpels, lellende vellen of wat voor uiterlijkheden dan ook. Het enige wat ik doe is me afvragen wat er toch in zijn hoofd zou omgaan. Snapt hij wel waar hij is, waarom we zijn verjaardag niet thuis vieren, maar in dit troosteloze oord? Weet hij nog wel wie ik ben? Voelt hij zich verraden als we straks allemaal naar ons fijne huis gaan en hij wordt opgesloten in de kamer met het plasticken bed, samen met een volslagen onbekende man en vooral zonder beppe? Zonder de vrouw waar hij 55 jaar lang, nacht in nacht uit, naast heeft liggen snurken, slapen, dromen, piekeren.
In de auto naar huis ben ik stil. Het is een zeldzaamheid, maar soms heb ook ik even geen teksten meer. Het enige wat ik me bedenk is dat je je hele leven nog zo hard kunt werken en nog zo je best kunt doen om op de mooiste stoelen te kunnen zitten, als je dement wordt zit je gewoon op stoelen met een geplastificeerd zitvlak. Geen sjeu, geen design, geen kleur. Gewoon oude meuk. Treurnis op de vierkante centimeter. Enkel opgefleurd door tekeningen van kleinkinderen van andere demente bejaarden die misschien al jaren dood zijn.
Broerlief doorbreekt de stilte. Hij vat ons onbestemde gevoel samen door te zeggen dat hij alles uit het leven wil halen wat er in zit. Hij bedenkt dat het niet zinloos is om op mooie stoelen te zitten. Je moet het juist doen zolang het kan. Ik kan niet anders dan hem gelijk geven. En bedenken dat ik heel veel rimpels hoop te krijgen en daar nog heel lang naar te mogen kijken in de spiegel... Onderwijl lachend naar mezelf en om mezelf. Hopend dat ik nét voor de laatste halte de trein kan verlaten.
The winner takes it all
Hoor ik het nou goed? Zegt ze nou dat zij de kostWINNAAR is? Huh? Dat is de tweede keer al deze week, dat ik een hoogopgeleide tante hoor vertellen dat zij het geld in het laatje brengt en niet hij. Maar ook de tweede keer al dat zo'n hoogopgeleide vrouw het verkeerd zegt. Het is toch gewoon kostwinner? Of ben ik nou mis?
Het maakt in ieder geval allerlei gedachten bij me los. Zoals dat ze zich misschien gewoon een winnaar voelen omdat ze de emancipatie tot in het ultieme hebben doorgevoerd. Niet zelf afhankelijk zijn, maar een man afhankelijk van ze laten zijn. En daar dus ook totaal geen moeite mee hebben.
Ik weet niet of ik me een winnaar zou voelen als ik het geld moest verdienen en mijn man zich meer bezighield met zorgtaken en het huishouden. Of zou ik me dan juist een Winnaar voelen omdat hij de loser is? Maar dan is het weer beter om van een Winner te spreken, want dan zijn we toch al in de engelse termen beland. Niet dat ik nou alle mannen die geen kostwinner zijn een loser vind, maar ik geef gewoon eerlijk toe dat ik op het emancipatiefront nog niet tot de winnaars behoor. Ik vind emancipatie helemaal niet zo tof. Oké ik vind dat ik volkomen gelijkwaardig ben aan een man. Maar ik ben absoluut niet gelijk aan een man. Ik kan gewoon beter strijken, schoonmaken, winkelen en baby's baren dan hij. En dat vind ik ook gewoon leuk (dat zal bij dat laatste wel een beetje anders zijn, verwacht ik). Maar als het aankomt op de poen in het laatje, op de veel te lange werkweken en de commerciële kant vind ik het meer dan prima dat hij de kost wint. Dat ik net iets minder kost win en dus geen winnaar ben. Maar me juist een winnaar voel omdat ik altijd kan opkijken tegen mijn stoere man. Mijn winnaar die de kost wint.
Maar hoe zit het dan met 'The winner takes it all'. Abba zong het al. En mijn werkervaring leert mij dat het er bij een scheiding inderdaad vaak op neerkomt dat de kostwinner de winnaar wordt. Hij heeft immers de stabiele financiële basis. En heeft het meest betaald en mag dus ook het meeste meenemen. Tja, toch een reden om niet de hele dag in de pyjama te lopen en wel mijn eigen kostje te winnen en bij een eventuele relatiebreuk niet als loser uit de bus te komen. Zouden die slimme tantes zichzelf daarom een winnaar noemen? Nooit afhankelijk van de grillen van de man?
Wikipedia helpt me uit de droom. KostWinnaar blijkt ook gewoon te kunnen. En dus zijn al mijn hersenkronkels voor niets. Zijn die hoogopgeleide tantes dus gewoon slim en weten ze wat ze zijn en doen. En heeft dat niets met hun trots te maken. Misschien hadden zij ook wel liever een winnaar op de bank waar ze de koffie voor zetten en de aardappels voor koken. En voelen ze zich dus misschien geen winnaar, maar roepen ze het gewoon af en toe ter compensatie. Maar misschien hoeft hun man helemaal niet stoer te zijn omdat hij ook al zonder de kost te winnen geweldig is. Ach, we zijn gewoon allemaal winnaars.
Het maakt in ieder geval allerlei gedachten bij me los. Zoals dat ze zich misschien gewoon een winnaar voelen omdat ze de emancipatie tot in het ultieme hebben doorgevoerd. Niet zelf afhankelijk zijn, maar een man afhankelijk van ze laten zijn. En daar dus ook totaal geen moeite mee hebben.
Ik weet niet of ik me een winnaar zou voelen als ik het geld moest verdienen en mijn man zich meer bezighield met zorgtaken en het huishouden. Of zou ik me dan juist een Winnaar voelen omdat hij de loser is? Maar dan is het weer beter om van een Winner te spreken, want dan zijn we toch al in de engelse termen beland. Niet dat ik nou alle mannen die geen kostwinner zijn een loser vind, maar ik geef gewoon eerlijk toe dat ik op het emancipatiefront nog niet tot de winnaars behoor. Ik vind emancipatie helemaal niet zo tof. Oké ik vind dat ik volkomen gelijkwaardig ben aan een man. Maar ik ben absoluut niet gelijk aan een man. Ik kan gewoon beter strijken, schoonmaken, winkelen en baby's baren dan hij. En dat vind ik ook gewoon leuk (dat zal bij dat laatste wel een beetje anders zijn, verwacht ik). Maar als het aankomt op de poen in het laatje, op de veel te lange werkweken en de commerciële kant vind ik het meer dan prima dat hij de kost wint. Dat ik net iets minder kost win en dus geen winnaar ben. Maar me juist een winnaar voel omdat ik altijd kan opkijken tegen mijn stoere man. Mijn winnaar die de kost wint.
Maar hoe zit het dan met 'The winner takes it all'. Abba zong het al. En mijn werkervaring leert mij dat het er bij een scheiding inderdaad vaak op neerkomt dat de kostwinner de winnaar wordt. Hij heeft immers de stabiele financiële basis. En heeft het meest betaald en mag dus ook het meeste meenemen. Tja, toch een reden om niet de hele dag in de pyjama te lopen en wel mijn eigen kostje te winnen en bij een eventuele relatiebreuk niet als loser uit de bus te komen. Zouden die slimme tantes zichzelf daarom een winnaar noemen? Nooit afhankelijk van de grillen van de man?
Wikipedia helpt me uit de droom. KostWinnaar blijkt ook gewoon te kunnen. En dus zijn al mijn hersenkronkels voor niets. Zijn die hoogopgeleide tantes dus gewoon slim en weten ze wat ze zijn en doen. En heeft dat niets met hun trots te maken. Misschien hadden zij ook wel liever een winnaar op de bank waar ze de koffie voor zetten en de aardappels voor koken. En voelen ze zich dus misschien geen winnaar, maar roepen ze het gewoon af en toe ter compensatie. Maar misschien hoeft hun man helemaal niet stoer te zijn omdat hij ook al zonder de kost te winnen geweldig is. Ach, we zijn gewoon allemaal winnaars.
woensdag 24 februari 2010
De laatste halte
Daar staat hij. In de kamer van hun mooie appartement. Zoals altijd in zijn geruite colbertje met zijn saaie grijze broek. Die broek die hij de laatste tijd steeds hoger optrekt, zodat je af en toe zijn beige sokken ziet. Dat colbertje wat net iets vaker in de was zou mogen, maar wat hij geen dag kan missen. Ze zegt tegen hem dat hij even opgenomen moet worden in het ziekenhuis, voor onderzoek. Maar dat het gewone ziekenhuis vol is en hij daarom wordt opgenomen in een dependance. Hij weet al een jaar niet meer wat waar en niet waar is en gelooft dus wat ze zegt. Hij zegt dat hij zijn best zal doen om snel beter te worden. En hij breekt haar hart daarmee, zonder dat hij het zelf doorheeft.
Ze pakken zijn spulletjes en zetten hem naast zijn schoonzoon voor in de auto. Dan kan hij lekker om zich heen kijken terwijl ze een rit van minstens veertig kilometer moeten maken. Met een zwaar gemoed en tranen die achter haar ogen branden stapt zijn dochter dapper achterin. Naast haar moeder. Ze knijpen elkaar onderweg even in de hand en proberen niet aan hem te laten merken dat ze op dat moment met zijn allen een enorme stap aan het zetten zijn. De stap naar zijn laatste halte.
Ze vertellen hem niet dat hij vannacht zijn laatste nachtje thuis heeft doorgebracht en dat hij daar nooit meer terug zal komen. Ze vertellen hem niet dat hij nooit meer een nacht naast zijn vrouw zal slapen. Nee, ze praten onderweg over het weer. En over dat het zo'n mooi stille auto is. Hij zegt dat hij de nieuwe Skoda van zijn oudste kleinzoon zo mooi vindt en dat hij erover prakkiseert om zelf ook eentje te kopen. Normaal zouden ze het irritant vinden dat hij voor de honderdduizendste keer weer over die auto begint, maar nu wordt de brok in hun keel er alleen maar groter van. Hun man, papa, mijn pake zal nooit meer auto rijden. Zal misschien zelfs nooit meer fietsen. Zal nooit meer door zijn eigen huis scharrelen en nooit meer midden in de nacht de bekende route naar zijn keuken schuifelen om ontbijt te maken omdat hij denkt dat het ochtend is en hij naar zijn werk moet. Zal zijn - waarschijnlijk laatste - verjaardag morgen niet thuis vieren, maar tussen wildvreemde mensen op een plek waar niemand zijn verjaardag zou willen vieren.
Hij gaat naar zijn laatste halte. Eindstation Alzheimer. Wilt u bij het uistappen niet vergeten uw bagage mee te nemen? Voor een voormalig conducteur zijn het bekende begrippen. Maar gelukkig begrijpt hij er nu even niets van. Gelukkig beseft hij niet dat er geen weg terug is. De trein stopt hier.
Ze pakken zijn spulletjes en zetten hem naast zijn schoonzoon voor in de auto. Dan kan hij lekker om zich heen kijken terwijl ze een rit van minstens veertig kilometer moeten maken. Met een zwaar gemoed en tranen die achter haar ogen branden stapt zijn dochter dapper achterin. Naast haar moeder. Ze knijpen elkaar onderweg even in de hand en proberen niet aan hem te laten merken dat ze op dat moment met zijn allen een enorme stap aan het zetten zijn. De stap naar zijn laatste halte.
Ze vertellen hem niet dat hij vannacht zijn laatste nachtje thuis heeft doorgebracht en dat hij daar nooit meer terug zal komen. Ze vertellen hem niet dat hij nooit meer een nacht naast zijn vrouw zal slapen. Nee, ze praten onderweg over het weer. En over dat het zo'n mooi stille auto is. Hij zegt dat hij de nieuwe Skoda van zijn oudste kleinzoon zo mooi vindt en dat hij erover prakkiseert om zelf ook eentje te kopen. Normaal zouden ze het irritant vinden dat hij voor de honderdduizendste keer weer over die auto begint, maar nu wordt de brok in hun keel er alleen maar groter van. Hun man, papa, mijn pake zal nooit meer auto rijden. Zal misschien zelfs nooit meer fietsen. Zal nooit meer door zijn eigen huis scharrelen en nooit meer midden in de nacht de bekende route naar zijn keuken schuifelen om ontbijt te maken omdat hij denkt dat het ochtend is en hij naar zijn werk moet. Zal zijn - waarschijnlijk laatste - verjaardag morgen niet thuis vieren, maar tussen wildvreemde mensen op een plek waar niemand zijn verjaardag zou willen vieren.
Hij gaat naar zijn laatste halte. Eindstation Alzheimer. Wilt u bij het uistappen niet vergeten uw bagage mee te nemen? Voor een voormalig conducteur zijn het bekende begrippen. Maar gelukkig begrijpt hij er nu even niets van. Gelukkig beseft hij niet dat er geen weg terug is. De trein stopt hier.
donderdag 18 februari 2010
Nikkelen Neelie
Ik heb een idool. Nee, het is niet Beyoncé of Lady Gaga. Nee, het is niet één of ander prachtig poppetje met heeeeeeeel veel geld en een hele mooie man. Het is Neelie. Vroeger nog Neelie Smit-Kroes. Nu gewoon Neelie Kroes. (Waar is Smit gebleven? Was dat niet ééntje van die Baggerbroers die over de hele wereld geld als water verdienen door drek uit water te trekken? En was Neelie dan ooit wel een poppetje met een hele rijke man?)
Maar goed, Neelie dus. Neelie is geen hottie. Integendeel misschien. Ze is de dertig in ieder geval al jaren gepasseerd. Misschien heeft ze haar 2x30 jarige bestaan zelfs al gevierd. Het doet er niet toe. Ik vind Neelie prachtig. Met haar vuurrood gelakte nagels aan haar met ouderdomsvlekken en rimpels getooide vingers, waaraan overigens een skitterende, knoert van een ring bungelt. Met haar keurig gemake-upte gezicht en prachtig gekapte en geverfde coupe. En ondanks het feit dat haar gezicht uit afzonderlijk van elkaar, in tegengestelde richting, bewegende delen lijkt te bestaan, haar ogen ongelijk knipperen en de invloed van de zwaartekracht zelfs met La Prairie niet meer weg te poetsen valt. Neelie rocks.
Zoals Neelie iedere keer met twinkelende oogjes Mathijs van Nieuwkerk te woord staat en immer keurig, weloverwogen en welbespraakt blijft, zonder ook maar één moment warrig, onduidelijk of hoogdravend te lijken. Ik zou er mijn petje, als ik een petje had, voor afnemen. Maar aangezien ik geen petje heb, zit ik iedere keer vol bewondering te kijken naar Neelie. Keer op keer herhalend hoe stoer ik haar vind en hoe graag ik zo zou worden als zij. Want Neelie doet serieuze dingen in Brussel. Dingen die ik niet persé zou willen doen, maar ze doet ze met glans. Met een broche in de vorm van een glinsterend vraagteken komt ze naar de hoorzitting om zichzelf te verkopen voor een nieuwe functie terwijl ze in haar oude portefeuille de sterren van de hemel heeft gewerkt en alle groten der aarde heeft afgestraft voor hun kartelpraktijken. Met een glimlach legt ze uit dat het knap is dat iemand met twee hersencellen (zoals ze volgens Sarkozy zou hebben) in staat is het werk te doen wat zij doet. Neelie heeft gewoon sjeu. Ze maakt Europa interessanter dan ooit. Ze maakt dat ik mijn biezen meteen zou pakken als ze me zou vragen in Brussel te komen om als haar rechterhand te werken. En voor een meisje dat haar wortels kilometers diep heeft groeien in de Friese klei is dat heel wat.
Voor het eerst in mijn leven ben ik fan van iemand.
Zijn er al posters van Neelie? Ik wil er wel eentje boven mijn bed.
Erika, Erika, Erika toch
Met twee vochtige ogen loert ze tussen haar wimperharen ins Blaue hinein. Lispelend met dubbele tong probeert ze te vertellen dat ze nog bij het snowboarden gaat kijken en roept ze net iets te hard dat ze de radio-meneren GE-WEL-DIG vindt. Ik dacht: "duidelijk een gevalletje Hero Brinkman". En dat dacht de rest van de wereld waarschijnlijk ook. Maar niet het NOC*NSF. Die dachten wat ik met de beste wil van de wereld niet kon denken, namelijk dat ze gewoon heel erg moe was. Héél erg moe.
Nou ben ik wel eens moe geweest. Maar dat was dan van een hele dag sjouwen met huisraad, of van een hele dag op een ladder staan schilderen. Of van een heel weekend stappen en twee nachten achter elkaar bij het ochtendgloren vanuit de stad naar huis fietsen in plaats van uit bed naar het werk. Dat was niet na een feestje bij de 500 meter schaatsen en een etentje met Wim-Lex en Maxima. Nee, ik denk niet dat ik daar héél erg moe van zou worden. Maar wie weet, Erika is tenslotte al iets ouder.... Mijn vermoeidheid leidde er in ieder geval nooit toe dat ik van voren niet meer wist wat ik van achteren deed. Maar goed, Erika lag nog te slapen, dus moe was ze misschien toch en we moesten dus maar afwachten tot ze wakker genoeg was om er zelf iets over te zeggen.
En dat deed ze. Ja, het NOC*NSF had wel gelijk. Ze was zo óntzettend moe geweest van alle leuke dingen in Vancouver. En ja, dan kan één glaasje wijn natuurlijk perongeluk wel he-le-maal verkeerd vallen. Één glaasje wijn. Erika, kom op nou. Ik ben het! Je hebt het hier niet tegen Neelie Kroes (die volgens Sarkozy maar twee hersencellen heeft). Je hebt het hier tegen een vrouw van de wereld. Een vrouw van de wereld die echt niet zo vaak wijn drinkt, maar werkelijk nog nooit na één wijntje ging lopen lallen op een manier waar LaLaLaLaura uit Pittige Tijden een puntje aan kon zuigen.
De boodschap vol onderschatting van de verstandelijke vermogens van het gehele volk, deed me denken aan vriendinnetje K. Zij kon er ook wat van. Zij het op iets kleinere schaal. Zij onderschatte alleen mij en vriendinnetje N. Na de gehele nacht roseetjes uit plastic bekertjes te hebben getankt (ik zeg getankt, want het had echt niets meer van drinken) en half loops achter een overjarige motormuis uit Zeeland te hebben aangezwalkt, zat ze onderuit gezakt op de achterbank terwijl we door het ochtendgloren richting huis reden. Onderweg bereikten N en mij al wat onrustbarende geluiden van achter ons totdat vriendinnetje K doodleuk begon uit te leggen dat ze nauwelijks had gedronken en dat die paar roseetjes toch wel heel raar vielen. "Tuurlijk schat!", riepen N en ik in koor. Nadat K bij de benzinepomp even tussen de bosjes was gedoken en omringd door een zurige lucht de auto weer instapte, onderwijl zo bleek als een gothic-rocker, ging ze door met haar verhandeling over de slechte kwaliteit van de drank en haar bescheiden gedrag tijdens de TT-nacht. Een Erika avant la lettre...iets anders kan ik er niet van maken. Grappig, aandoenlijk, ietwat sneu en vooral ernstig in de ontkenningsfase.
Nou ben ik wel eens moe geweest. Maar dat was dan van een hele dag sjouwen met huisraad, of van een hele dag op een ladder staan schilderen. Of van een heel weekend stappen en twee nachten achter elkaar bij het ochtendgloren vanuit de stad naar huis fietsen in plaats van uit bed naar het werk. Dat was niet na een feestje bij de 500 meter schaatsen en een etentje met Wim-Lex en Maxima. Nee, ik denk niet dat ik daar héél erg moe van zou worden. Maar wie weet, Erika is tenslotte al iets ouder.... Mijn vermoeidheid leidde er in ieder geval nooit toe dat ik van voren niet meer wist wat ik van achteren deed. Maar goed, Erika lag nog te slapen, dus moe was ze misschien toch en we moesten dus maar afwachten tot ze wakker genoeg was om er zelf iets over te zeggen.
En dat deed ze. Ja, het NOC*NSF had wel gelijk. Ze was zo óntzettend moe geweest van alle leuke dingen in Vancouver. En ja, dan kan één glaasje wijn natuurlijk perongeluk wel he-le-maal verkeerd vallen. Één glaasje wijn. Erika, kom op nou. Ik ben het! Je hebt het hier niet tegen Neelie Kroes (die volgens Sarkozy maar twee hersencellen heeft). Je hebt het hier tegen een vrouw van de wereld. Een vrouw van de wereld die echt niet zo vaak wijn drinkt, maar werkelijk nog nooit na één wijntje ging lopen lallen op een manier waar LaLaLaLaura uit Pittige Tijden een puntje aan kon zuigen.
De boodschap vol onderschatting van de verstandelijke vermogens van het gehele volk, deed me denken aan vriendinnetje K. Zij kon er ook wat van. Zij het op iets kleinere schaal. Zij onderschatte alleen mij en vriendinnetje N. Na de gehele nacht roseetjes uit plastic bekertjes te hebben getankt (ik zeg getankt, want het had echt niets meer van drinken) en half loops achter een overjarige motormuis uit Zeeland te hebben aangezwalkt, zat ze onderuit gezakt op de achterbank terwijl we door het ochtendgloren richting huis reden. Onderweg bereikten N en mij al wat onrustbarende geluiden van achter ons totdat vriendinnetje K doodleuk begon uit te leggen dat ze nauwelijks had gedronken en dat die paar roseetjes toch wel heel raar vielen. "Tuurlijk schat!", riepen N en ik in koor. Nadat K bij de benzinepomp even tussen de bosjes was gedoken en omringd door een zurige lucht de auto weer instapte, onderwijl zo bleek als een gothic-rocker, ging ze door met haar verhandeling over de slechte kwaliteit van de drank en haar bescheiden gedrag tijdens de TT-nacht. Een Erika avant la lettre...iets anders kan ik er niet van maken. Grappig, aandoenlijk, ietwat sneu en vooral ernstig in de ontkenningsfase.
Rompslomp
Het pad der liefde ligt soms bezaaid met rompslomp. Neem nou een verhuizing om voor altijd samen te kunnen zijn met de liefde van je leven. Het klinkt zo romantisch. En als we 's avonds samen in bed liggen en 's ochtends samen weer wakker worden, dan voelt het ook zo.
Maar als de post weer door de brievenbus wordt geduwd, of wordt nabezorgd door mijn lieve postbode-moeder, is de romantiek in geen velden of wegen te bekennen. Elke postbezorging zit er weer een stuk bij dat de nodige aktie vergt. Meterstanden opnemen en doorgeven. Niet alleen voor gas, maar natuurlijk ook voor licht en water. En niet alleen vanwege de verhuizing, maar ook nog even voor de jaarafrekening van 2009. Maar goed, dat is nog tot daar aan toe. Bonter wordt het gemaakt door Essent. Als je ooit gaat verhuizen, houd hem dan te vriend en wees niet, net als ik, zo naief om te denken dat je hem wel even via internet kunt afschepen en aan de kant kunt zetten. Met Essent heb je geen relatie die je zomaar even verbreekt. Essent is in essentie (let op de treffende woordkeus) gewoon een stalker eerste klas.
Ineens krijg ik smsjes van Essent. En niet van die smsjes met gewoon een onbekend nummer in je scherm, nee hoor, mijn mobieltje blijkt Essent gewoon te kennen. Alsof Essent onder de E te vinden is in mijn vriendenlijstje. Ik weet niet hoe Essent het flikt, maar om de haverklap staat zijn naam in mijn scherm. En iedere keer wordt me in niet misverstane bewoordingen te kennen gegeven dat ik hem vooral echt niet moet vergeten. Nou ja, om de meterstanden door te geven voor de sleuteloverdracht. Die overdracht is over twee weken!!! En hij heeft me al vier smsjes gestuurd. Hoezo, aandacht te kort? Als een kerel dat zou doen, zonder een reactie van mijn kant te krijgen, zou ik hem voor eeuwig negeren of woest opbellen dat ie nou eindelijk eens moest kappen met zijn gezeur. Maar heel misschien zou ik ook gewoon denken dat het sneu voor hem is en vriendelijk, doch beslist laten weten dat het niets meer zou worden tussen ons.
Oké Essent weet me dus volhardend via sms te vinden. Maar ook via de post. Natuurlijk! Had ik maar nooit mijn adres aan hem gegeven. En inmiddels heb ik door zijn brieven ontdekt dat Essent niet het buskruit heeft uitgevonden. Eerst krijg ik post dat ik ga verhuizen en dat mijn contract in het oude huis wordt beëindigd. Prima, dat leek vlekkeloos te verlopen. In dezelfde brief laat Essent me echter fijntjes weten dat hij ook in mijn nieuwe huis gewoon voor me klaar zal staan. Dus ik bel hem op en krijg één van zijn secretaresses aan de lijn. Ik leg haar uit dat ik niets meer van Essent wil weten na mijn verhuizing en of ze dat even aan hem door wil geven. Ze zegt dat ze dat zal doen, maar binnen een week ligt het contract voor mijn nieuwe huis al op de mat. Dus ik bel Essent weer op en vertel zijn secretaresse dat hij het verkeerd heeft gedaan en dat ik echt niets meer met hem te maken wil hebben. Ze zegt dat het in orde komt en tot overmaat van ramp moet ik vervolgens moet ik de meterstanden in het nieuwe huis doorgeven. Ondertussen laat Essent zich van zijn ware stalkerskant zien en belt hij zelfs met mijn lief om te vragen of die het goed vindt dat Essent en ik contact houden als X en ik samenwonen. X is resoluut en zegt dat Essent bij me uit de buurt moet blijven. Dat doet Essent natuurlijk niet en ik krijg brief na brief na brief. Normaal val ik wel op doorzetters, volhouders....maar ik heb X al. En X heeft alles wat ik zoek in zijn huis...gas, water en licht. Dus, Essent het is over tussen ons.
Maar als de post weer door de brievenbus wordt geduwd, of wordt nabezorgd door mijn lieve postbode-moeder, is de romantiek in geen velden of wegen te bekennen. Elke postbezorging zit er weer een stuk bij dat de nodige aktie vergt. Meterstanden opnemen en doorgeven. Niet alleen voor gas, maar natuurlijk ook voor licht en water. En niet alleen vanwege de verhuizing, maar ook nog even voor de jaarafrekening van 2009. Maar goed, dat is nog tot daar aan toe. Bonter wordt het gemaakt door Essent. Als je ooit gaat verhuizen, houd hem dan te vriend en wees niet, net als ik, zo naief om te denken dat je hem wel even via internet kunt afschepen en aan de kant kunt zetten. Met Essent heb je geen relatie die je zomaar even verbreekt. Essent is in essentie (let op de treffende woordkeus) gewoon een stalker eerste klas.
Ineens krijg ik smsjes van Essent. En niet van die smsjes met gewoon een onbekend nummer in je scherm, nee hoor, mijn mobieltje blijkt Essent gewoon te kennen. Alsof Essent onder de E te vinden is in mijn vriendenlijstje. Ik weet niet hoe Essent het flikt, maar om de haverklap staat zijn naam in mijn scherm. En iedere keer wordt me in niet misverstane bewoordingen te kennen gegeven dat ik hem vooral echt niet moet vergeten. Nou ja, om de meterstanden door te geven voor de sleuteloverdracht. Die overdracht is over twee weken!!! En hij heeft me al vier smsjes gestuurd. Hoezo, aandacht te kort? Als een kerel dat zou doen, zonder een reactie van mijn kant te krijgen, zou ik hem voor eeuwig negeren of woest opbellen dat ie nou eindelijk eens moest kappen met zijn gezeur. Maar heel misschien zou ik ook gewoon denken dat het sneu voor hem is en vriendelijk, doch beslist laten weten dat het niets meer zou worden tussen ons.
Oké Essent weet me dus volhardend via sms te vinden. Maar ook via de post. Natuurlijk! Had ik maar nooit mijn adres aan hem gegeven. En inmiddels heb ik door zijn brieven ontdekt dat Essent niet het buskruit heeft uitgevonden. Eerst krijg ik post dat ik ga verhuizen en dat mijn contract in het oude huis wordt beëindigd. Prima, dat leek vlekkeloos te verlopen. In dezelfde brief laat Essent me echter fijntjes weten dat hij ook in mijn nieuwe huis gewoon voor me klaar zal staan. Dus ik bel hem op en krijg één van zijn secretaresses aan de lijn. Ik leg haar uit dat ik niets meer van Essent wil weten na mijn verhuizing en of ze dat even aan hem door wil geven. Ze zegt dat ze dat zal doen, maar binnen een week ligt het contract voor mijn nieuwe huis al op de mat. Dus ik bel Essent weer op en vertel zijn secretaresse dat hij het verkeerd heeft gedaan en dat ik echt niets meer met hem te maken wil hebben. Ze zegt dat het in orde komt en tot overmaat van ramp moet ik vervolgens moet ik de meterstanden in het nieuwe huis doorgeven. Ondertussen laat Essent zich van zijn ware stalkerskant zien en belt hij zelfs met mijn lief om te vragen of die het goed vindt dat Essent en ik contact houden als X en ik samenwonen. X is resoluut en zegt dat Essent bij me uit de buurt moet blijven. Dat doet Essent natuurlijk niet en ik krijg brief na brief na brief. Normaal val ik wel op doorzetters, volhouders....maar ik heb X al. En X heeft alles wat ik zoek in zijn huis...gas, water en licht. Dus, Essent het is over tussen ons.
Abonneren op:
Posts (Atom)
