Er zijn mensen die kaartjes vouwen van de labeltjes aan theezakjes. Of die cupcakes bakken tot ze erbij neervallen. Zelf had ik er tijdens mijn zwangerschap een handje van om de naaimachine aan het werk te zetten. Huisvlijt...het is er in alle soorten en maten. Altijd had ik er een knusse gedachte bij. Zag ik blije meisjes met een vrolijk gekleurde schort voor. Of omaatjes die in juli uren aan tafel zitten te priegelen om de kerstkaarten op tijd af te krijgen. Er hangt gewoon een zweem van gezelligheid om al dat geknutsel en getut.
Maar sinds vandaag weet ik dat het ook anders kan. Dat er ook sprake van huisvlijt moet zijn in donkere, grauwe kamers die waarschijnlijk blauw staan van de rook en waar gaten in de leren bank zitten omdat de Staffordshire Bull Terrier er zijn kaken in heeft geslagen omdat hij geen plakje leverworst kreeg. In huizen waar het behang wat bladdert en onbestemde vlekken zitten in de vloerbedekking. Waar de tuin in geen jaren een hark of schep heeft gezien en onkruid welig tiert.
Althans, dat waren de gedachten toen ik tijdens een wandeling met mijn kleine grote geluk een tekst op een muur zag. Het was een klein nisje bij een gebouw. Je moest opletten om het te zien. En toch had iemand de moeite genomen om daar een tekst achter te laten. "ACAB". All cops are bastards. Vrij vertaald: "De politie is stom..." Al is dat waarschijnlijk een te milde - knutseltutje, fröbeldame - vertaling.
De tekst an sich was geen echte verrassing. Er zijn zelfs volwassen mannen die deze vier letters in hun nek laten tattoeren. Of jongens die in een t-shirt met die tekst lopen. Nee, het ging om de manier waarop. Het was overduidelijk dat daar iemand - waarschijnlijk in het donker - had gestaan met een stuk papier/plastic/staal waar de letters uit waren gesneden en vervolgens met een spuitbus de boel had ingekleurd. Hij had het namelijk niet helemaal netjes gedaan en dus kon je de contouren van het vierkant nog ontwaren. En de letters....ze waren sierlijk. Gotisch bijna. Volgens mij kon je dat niet zelf uitknippen. Nee, hier was een handigerd aan de gang geweest. Misschien had hij het zelfs met een computerbestandje aangeleverd bij een professionele tekstenmaker...
Ik weet het niet. Maar ik werd er een beetje verdrietig van. De gedachte dat er niet achter elke deur tuttige, vrolijke meisjes wonen die eerst de keukenvloer soppen en daarna een leuk hoesje voor hun fotoboek haken. De gedachte dat er iemand ergens op een kapotte bank moet hebben gezeten, de tv keihard op MTV, met de Staffordshire Bull Terrier aan zijn voeten...onderwijl denkend over een manier waarop hij gemakkelijk die agressieve tekst zou kunnen verspreiden, zonder dat hij telkens met de spuitbus moest proberen een beetje netjes vier letters op te schrijven.
Ik zag hem al bijna zitten. Die zielige, bozige man die niks beters te doen had. En stiekem bedacht ik een vrolijk meisje met een bloemetjesschort te midden van die donkere, viezige kamer. Ze ging haar cakejes bakken en de zielige bozige man was niet meer zielig. Hij at cupcakes en hielp zelfs stiekem ze te versieren. Als grapje met de letters ACAB. Maar die slikte zij er gauw af toen hij even niet oplette.
Femme fatale ('fatale vrouw'): een vrouw die haar schoonheid en seksualiteit gebruikt om mannen te verleiden. Een femme fatale is stijlvol, sterk, seksueel onafhankelijk en intelligent. Ze zal er alles aan doen om de situatie onder controle te houden. Fem Fataal: een brokkenpiloot met een zonnige kijk op het leven die veel lacht, zich vaak verbaast, mannen buitengewoon interessante wezens vindt, de liefde niet begrijpt en voor altijd naief zal blijven.
donderdag 31 januari 2013
zondag 27 januari 2013
Vals
Toen X en ik elkaar nog ontdekten en eigenlijk alles geweldig aan elkaar vonden. Toen we ons alleen al gelukkig voelden omdat de ander bestond. Toen het voelde alsof we konden leven van de liefde alleen. Toen zaten we een keer in de auto. Vol vlinders en vol vertrouwen deed ik wat ik altijd doe. Meezingen met de radio. De hele weg naar Roosendaal. En dat is een eind kan ik je melden. En terug ging het die dag niet veel anders. Ik zong dat het een lieve lust was en verbaasde me over al die geweldige liedjes op de radio waar ik ook nog eens de tekst van kende.
X zat naast me en legde zo nu en dan zijn altijd warme hand op mijn been. Ik had een topdag. Totdat we bij een brug moesten wachten. We waren bijna thuis. X ging een beetje verzitten en keek me eens aan. Vlak na een mooie uithaal, weet ik nog. Iets Alicia Keyserigs geloof ik. Hij zei - heel voorzichtig - "Jij kunt echt niet zingen he". En ik wist dat hij gelijk had. Al klinkt het in mijn hoofd nog zo mooi. Ooit, in de pubertijd, had ik mijn stem opgenomen op een cassettebandje. En dat klonk niet best. Ergens onderweg was ik het vergeten. En nu had X - die ik best nog een beetje wilde versieren - dus bijna 5 hele lange uren naar mijn valse gekraai geluisterd. Zonder tussentijds commentaar. Zonder zuchten, steunen of andere non-verbale hints dat het genoeg was.
Gelukkig wilde hij wel een dealtje sluiten dat inhield dat ik mocht blijven zingen...als ik maar nooit met Idols mee zou doen. Goeie deal, dacht ik nog. Kon ik tenminste lekker blijven zingen. Maar sindsdien is dat zingen toch anders. X voelt zich vrijer om me gewoon eens uit te lachen als het echt TE vals is. En ik ben me eigenlijk altijd bewust van mijn rare geluidjes.
Maar nu is er een nieuwe grote liefde. En hij is of net zo lief als zijn vader, of hij hoort nog niet zo goed, of hij heeft gewoon verstand van muziek. Want hij luistert naar mijn gezang en hij lacht. Hij wordt er rustig van. En zojuist...een half uurtje geleden, lag hij nog op mijn arm. En ik zong. Alles wat ik me maar kon bedenken. Van Kinderen voor Kinderen (uit de jaren tachtig, toen het nog leuk was) tot Slaap kindje slaap. Zelfbedachte teksten en hier en daar wat geneurie. In het schemerdonker keek hij naar me. Zijn oogjes glinsterden. Hij lachte wat achter zijn speentje. En toen deed hij die prachtige oogjes van hem dicht. En hij sliep. Hoe vals het ook was. Hij sliep.
Ik heb een fan! Een nieuwe reden om heerlijk te blijven zingen en stiekem af en toe te denken dat het toch best mooi klinkt. Dus dat doe ik.
X zat naast me en legde zo nu en dan zijn altijd warme hand op mijn been. Ik had een topdag. Totdat we bij een brug moesten wachten. We waren bijna thuis. X ging een beetje verzitten en keek me eens aan. Vlak na een mooie uithaal, weet ik nog. Iets Alicia Keyserigs geloof ik. Hij zei - heel voorzichtig - "Jij kunt echt niet zingen he". En ik wist dat hij gelijk had. Al klinkt het in mijn hoofd nog zo mooi. Ooit, in de pubertijd, had ik mijn stem opgenomen op een cassettebandje. En dat klonk niet best. Ergens onderweg was ik het vergeten. En nu had X - die ik best nog een beetje wilde versieren - dus bijna 5 hele lange uren naar mijn valse gekraai geluisterd. Zonder tussentijds commentaar. Zonder zuchten, steunen of andere non-verbale hints dat het genoeg was.
Gelukkig wilde hij wel een dealtje sluiten dat inhield dat ik mocht blijven zingen...als ik maar nooit met Idols mee zou doen. Goeie deal, dacht ik nog. Kon ik tenminste lekker blijven zingen. Maar sindsdien is dat zingen toch anders. X voelt zich vrijer om me gewoon eens uit te lachen als het echt TE vals is. En ik ben me eigenlijk altijd bewust van mijn rare geluidjes.
Maar nu is er een nieuwe grote liefde. En hij is of net zo lief als zijn vader, of hij hoort nog niet zo goed, of hij heeft gewoon verstand van muziek. Want hij luistert naar mijn gezang en hij lacht. Hij wordt er rustig van. En zojuist...een half uurtje geleden, lag hij nog op mijn arm. En ik zong. Alles wat ik me maar kon bedenken. Van Kinderen voor Kinderen (uit de jaren tachtig, toen het nog leuk was) tot Slaap kindje slaap. Zelfbedachte teksten en hier en daar wat geneurie. In het schemerdonker keek hij naar me. Zijn oogjes glinsterden. Hij lachte wat achter zijn speentje. En toen deed hij die prachtige oogjes van hem dicht. En hij sliep. Hoe vals het ook was. Hij sliep.
Ik heb een fan! Een nieuwe reden om heerlijk te blijven zingen en stiekem af en toe te denken dat het toch best mooi klinkt. Dus dat doe ik.
dinsdag 15 januari 2013
Buik
Elke avond lag ik op het kleed voor de tv mijn buik in model te plooien met honderden, in totaal duizenden, buikspieroefeningen. Ik had op een gegeven moment gewoon een sixpack. Maar daar zag je niks van. De huid die ik ooit zo zorgvuldig had opgerekt met een puberdieet van chips, koekjes, ijs en al wat lekker - maar o zo slecht - is, veerde niet meer terug naar naveltrui-proporties. Hoe koolhydraatarm ik ook at en hoe hard ik ook rende. Die buik van mij bleef een soort pudding met in het midden een treurig mondje op de plek waar ooit een ronde navel moet hebben gezeten.
Maar als optimist zag ik in die overtollige huid toch nog een voordeel. Want mocht er ooit een klein kindje in mij groeien, dan had ik plek genoeg en zou striae mij bespaard blijven.
En toen groeide ineens een kindje in mij en werd de angst voor permanente strepen op mijn buik wat reëeler. Dus kocht ik smeersels, duur en glibberig. Om te redden wat er te redden viel. Want je zal toch uit zuinigheid maar niet smeren en ineens vol strepen zitten? Baadt het niet, dan schaadt het niet, was het idee. Mijn buik groeide en groeide. Inderdaad plaats genoeg voor een klein mensje. Geen streep te bekennen. Behalve dan een verticale streep gevormd door overmatig pigment. Maar op die streep was ik trots. Die streep symboliseerde de aanstaande komst van de door mij zo geliefde baby.
Maar die geliefde baby miste een inwendige TOM TOM. Hij had geen routekaart die hem vertelde dat de uitgang beneden zat. Al weken voelde ik zijn ronde bolletje in mijn zij. Maar de verloskundige wist zeker...hij ligt goed. Dus drukte zij en duwde zij -zoekend naar een hoofd in mijn bekken waar geen hoofdje zat - net zo lang tot de strepen er ter plekke in sprongen. Daar hielp geen smeersel meer tegen. Het kwaad was geschied.
Nu zijn we een half jaar verder en zit ik op de bank terwijl ons wonder boven in zijn wiegje ligt te slapen. Een paar uur geleden hoorde ik zijn vader voor hem zingen terwijl ik snel mijn kleren uittrok om onder de douche te springen. In een flits zie ik mezelf voorbij lopen in de spiegel. Daar is mijn buik. Slapper en boller dan ooit. Dat sixpack is in geen velden of wegen meer te bekennen. Ik zie mijn buik dansen en ontwaar in een oogwenk de twee strepen die de verloskundige erin duwde en die enorme jaap die uiteindelijk zijn ingang in dit leven werd. Ook dat pigment blijft maar hangen. Even denk ik, shit. Maar als ik twee tellen later mijn mannetje in mijn armen neem en met zijn volmaakte lichaam in mijn armen onder de douche sta, voel ik me mooier dan ooit.
Mijn buik is de landkaart van zijn leven. Twee strepen als pijlen richting de uitgang die zijn toekomstige broertje of zusje hopelijk wel weet te vinden. De bolling die me herinnert aan de tijd vol verwachting, de tijd waarin hij ontstond. Het kronkelige, vlammende litteken dat zijn komst in deze wereld mogelijk maakte. En een pigmentstreep om het midden aan te geven.
En toch lig ik niet meer elke avond op het kleed. Dankzij het hart dat boven de landkaart klopt. Een hart dat sinds het ontstaan van de landkaart in mijn borst lijkt te fladderen, elke keer als hij met zijn prachtige tandeloze mondje naar me lacht. Een hart dat vervuld is van geluk en liefde op een manier die ik met mijn ongeschonden buik niet kende. Een hart dat weet wat echt belangrijk is.
Maar als optimist zag ik in die overtollige huid toch nog een voordeel. Want mocht er ooit een klein kindje in mij groeien, dan had ik plek genoeg en zou striae mij bespaard blijven.
En toen groeide ineens een kindje in mij en werd de angst voor permanente strepen op mijn buik wat reëeler. Dus kocht ik smeersels, duur en glibberig. Om te redden wat er te redden viel. Want je zal toch uit zuinigheid maar niet smeren en ineens vol strepen zitten? Baadt het niet, dan schaadt het niet, was het idee. Mijn buik groeide en groeide. Inderdaad plaats genoeg voor een klein mensje. Geen streep te bekennen. Behalve dan een verticale streep gevormd door overmatig pigment. Maar op die streep was ik trots. Die streep symboliseerde de aanstaande komst van de door mij zo geliefde baby.
Maar die geliefde baby miste een inwendige TOM TOM. Hij had geen routekaart die hem vertelde dat de uitgang beneden zat. Al weken voelde ik zijn ronde bolletje in mijn zij. Maar de verloskundige wist zeker...hij ligt goed. Dus drukte zij en duwde zij -zoekend naar een hoofd in mijn bekken waar geen hoofdje zat - net zo lang tot de strepen er ter plekke in sprongen. Daar hielp geen smeersel meer tegen. Het kwaad was geschied.
Nu zijn we een half jaar verder en zit ik op de bank terwijl ons wonder boven in zijn wiegje ligt te slapen. Een paar uur geleden hoorde ik zijn vader voor hem zingen terwijl ik snel mijn kleren uittrok om onder de douche te springen. In een flits zie ik mezelf voorbij lopen in de spiegel. Daar is mijn buik. Slapper en boller dan ooit. Dat sixpack is in geen velden of wegen meer te bekennen. Ik zie mijn buik dansen en ontwaar in een oogwenk de twee strepen die de verloskundige erin duwde en die enorme jaap die uiteindelijk zijn ingang in dit leven werd. Ook dat pigment blijft maar hangen. Even denk ik, shit. Maar als ik twee tellen later mijn mannetje in mijn armen neem en met zijn volmaakte lichaam in mijn armen onder de douche sta, voel ik me mooier dan ooit.
Mijn buik is de landkaart van zijn leven. Twee strepen als pijlen richting de uitgang die zijn toekomstige broertje of zusje hopelijk wel weet te vinden. De bolling die me herinnert aan de tijd vol verwachting, de tijd waarin hij ontstond. Het kronkelige, vlammende litteken dat zijn komst in deze wereld mogelijk maakte. En een pigmentstreep om het midden aan te geven.
En toch lig ik niet meer elke avond op het kleed. Dankzij het hart dat boven de landkaart klopt. Een hart dat sinds het ontstaan van de landkaart in mijn borst lijkt te fladderen, elke keer als hij met zijn prachtige tandeloze mondje naar me lacht. Een hart dat vervuld is van geluk en liefde op een manier die ik met mijn ongeschonden buik niet kende. Een hart dat weet wat echt belangrijk is.
zaterdag 22 december 2012
Een beetje zoals zij
Ze drentelt rond met haar kleine kromme baby-beentjes. Speentje in de mond, luier om haar billetjes. Ze is nog niet zo stabiel, maar vallen doet geen pijn en ze staat lachend weer op. Een prachtig meisje, omringd door kleurrijke bloemen. Tot zover een mooi en vrolijk beeld voor de beelddenkers onder ons.
Maar de bloemen zijn voor haar moeder en ze omringen de kist met daarin haar zo mooie, maar ook zo koude lichaam.
En dus stromen de tranen over mijn wangen bij de aanblik van dat kleine, schattige meisje. Dat meisje dat zo op haar mooie moeder lijkt. Ze heeft nog geen idee en dus drentelt ze vrolijk rond terwijl ze wordt aanschouwd door honderden huilende ogen. Ondertussen klinken mooie woorden en horen we prachtige muziek.
Ik probeer een snik te onderdrukken. Want wie ben ik om te huilen als haar vader zo sterk is? Wie ben ik om te huilen als haar moeder mij wellicht zo vaak heeft gemist? Ik huil om de leegte die voelbaar is. Om alles wat ik had moeten doen, maar heb nagelaten. Om het verlies van zo'n bijzonder mens. Ik kende haar door en door. Dat gebeurt als je elkaar 40 uur per week ziet gedurende anderhalf jaar. En toch zie ik nu haar man en familie voor het eerst. En ook dat mooie, kleine meisje waar ze zo blij mee was. Ik was te druk met trouwen en moeder worden om eerder te komen kijken. En nu zie ik haar voor het eerst... op de crematie van haar moeder. Dus ik huil. Omdat geen bloemen, mooie woorden of muziek kunnen zorgen dat dit mooie kleine meisje nog lekker op haar moeders warme schoot kan kruipen. Of dat haar sterke, dappere vader nog eens lekker tegen zijn prachtige vrouw aan kan kruipen. Of haar zoon zijn hoofd in haar veilige nek kan begraven. Omdat het zo verschrikkelijk oneerlijk is.
Ik ga mijn best doen om een beetje IngeB te zijn...
Ik ben d'r weer...
Ik ben d'r weer. Op verzoek en gewoon omdat het nodig is. Omdat ik zoveel denk en er geen kant mee op kan. Omdat mijn tijdlijn op Facebook ook door collega's wordt bekeken en ik daar dus niet al mijn rare hersenkronkels kwijt kan. Omdat X zegt dat het tijd wordt. Omdat, tja gewoon omdat t kan.
Maar ik ben anders. Er is nu een klein mensje uit mij geboren en daarmee is alles anders en toch ook niet. Een zoektocht naar nieuwe liefdesgevoelens, naar het moederschap en tegelijk een manier om toch ook ergens nog iets van die fatale Fem te blijven die ik pretendeerde te zijn.
Leuk als je het leest...hopelijk is er niet weer een hernia voor nodig. Hopelijk vindt Engelbert het leuk. Hopelijk vindt zij met de hondjes en de cavia's uit Franeker het leuk. Hopelijk leest de breiende ex-collega weer mee. En die ene die Kammie zo lief heeft.
Ik ben d'r weer en het voelt goed.
Nu nog eens bedenken waar ik het over ga hebben.
Maar ik ben anders. Er is nu een klein mensje uit mij geboren en daarmee is alles anders en toch ook niet. Een zoektocht naar nieuwe liefdesgevoelens, naar het moederschap en tegelijk een manier om toch ook ergens nog iets van die fatale Fem te blijven die ik pretendeerde te zijn.
Leuk als je het leest...hopelijk is er niet weer een hernia voor nodig. Hopelijk vindt Engelbert het leuk. Hopelijk vindt zij met de hondjes en de cavia's uit Franeker het leuk. Hopelijk leest de breiende ex-collega weer mee. En die ene die Kammie zo lief heeft.
Ik ben d'r weer en het voelt goed.
Nu nog eens bedenken waar ik het over ga hebben.
donderdag 17 november 2011
Verhuisbericht
Vanaf nu zijn mijn hersenspinsel en gedachtenkronkels te vinden op http://www.magischmusje.com/
Ik hoop jullie daar weer te mogen begroeten!
Ik hoop jullie daar weer te mogen begroeten!
woensdag 31 augustus 2011
Puberperikelen
Ik zit op mijn werk en lees in een dossier. Eens even kijken hoe oud de persoon is waar het over gaat. Geboortejaar 1991. “Een broekje” schiet door mijn gedachten. Hij is tenslotte 11 jaar jonger dan ik. Dan realiseer ik me dat het gewoon over een volwassen man gaat en maak ik in gedachten een rekensom die tot de schrikbarende uitkomst leidt dat ik al 13 jaar een volwassene ben. Oei…het piepjonge is er wel wat af.
Vroeger dacht ik altijd dat ik alles prima voor elkaar zou hebben als ik 30 jaar zou zijn. Getrouwd, kindjes, werk en vooral geen zorgen, geen heen en weer slingerende emoties, geen twijfels of onzekerheden. Viel dat even tegen toen ik vorig jaar 30 werd! Niet getrouwd, geen kinderen… oké, qua werk lag ik lekker op schema. Maar het ergste van alles was de constatering dat al die mevrouwen van 30 waarvan ik vroeger dacht dat ze vast een stuk stabieler in het leven stonden dan ik in mijn puberjaren, misschien ’s avonds ook wel in hun roze badjas op de bank zaten te grienen omdat ze het leven soms best ingewikkeld vonden.
Nu ben ik dus én niet meer piepjong, én de puberale trekjes zijn er nog steeds niet vanaf. Af en toe zit ik mezelf verschrikkelijk in de weg, kan ik soms nog zo wispelturig en ongedurig zijn als een meisje van 15 jaar met teveel oogpotlood en teveel schuim-gel in haar versgepermanente haar. Zo nu en dan leidt dat er zelfs toe dat ik het liefst stampvoetend naar mijn kamer zou gaan om daar mokkend de muziek veel te hard te zetten. Net als vroeger. Maar het ergste van alles is dat mijn gezicht nog alle kenmerken vertoont van een puberende drama-queen. Een puber van 31 jaar. Puistjes, van links naar rechts, van kruin tot kin. Ik zit er onder! Natuurlijk zou ik er het liefst eeuwig uitzien als een jonge meid. Maar niet als een jonge meid met teveel hormonen en overactieve talgklieren. En nu al helemaal niet. Over een maand wordt één van de “things to do before I’m 30”-dingen dan toch eindelijk van mijn lijstje gestreept. We gaan trouwen, X en ik.
Dikke kans dat ik straks voor het altaar, heel volwassen en 30-plus een belangrijke belofte ga afleggen, terwijl mijn huid nog is blijven steken in de jaren 90. Als dat velletje van mij nou altijd zo achter blijft lopen, sta ik tegen de tijd dat we ons zilveren huwelijksfeest vieren in ieder geval goed op de foto. Als een zeer stabiele, 31 lentes tellende dame. Niet in de verste verte lijkend op een een 56 jarige mevrouw met overgangsklachtjes.
Vroeger dacht ik altijd dat ik alles prima voor elkaar zou hebben als ik 30 jaar zou zijn. Getrouwd, kindjes, werk en vooral geen zorgen, geen heen en weer slingerende emoties, geen twijfels of onzekerheden. Viel dat even tegen toen ik vorig jaar 30 werd! Niet getrouwd, geen kinderen… oké, qua werk lag ik lekker op schema. Maar het ergste van alles was de constatering dat al die mevrouwen van 30 waarvan ik vroeger dacht dat ze vast een stuk stabieler in het leven stonden dan ik in mijn puberjaren, misschien ’s avonds ook wel in hun roze badjas op de bank zaten te grienen omdat ze het leven soms best ingewikkeld vonden.
Nu ben ik dus én niet meer piepjong, én de puberale trekjes zijn er nog steeds niet vanaf. Af en toe zit ik mezelf verschrikkelijk in de weg, kan ik soms nog zo wispelturig en ongedurig zijn als een meisje van 15 jaar met teveel oogpotlood en teveel schuim-gel in haar versgepermanente haar. Zo nu en dan leidt dat er zelfs toe dat ik het liefst stampvoetend naar mijn kamer zou gaan om daar mokkend de muziek veel te hard te zetten. Net als vroeger. Maar het ergste van alles is dat mijn gezicht nog alle kenmerken vertoont van een puberende drama-queen. Een puber van 31 jaar. Puistjes, van links naar rechts, van kruin tot kin. Ik zit er onder! Natuurlijk zou ik er het liefst eeuwig uitzien als een jonge meid. Maar niet als een jonge meid met teveel hormonen en overactieve talgklieren. En nu al helemaal niet. Over een maand wordt één van de “things to do before I’m 30”-dingen dan toch eindelijk van mijn lijstje gestreept. We gaan trouwen, X en ik.
Dikke kans dat ik straks voor het altaar, heel volwassen en 30-plus een belangrijke belofte ga afleggen, terwijl mijn huid nog is blijven steken in de jaren 90. Als dat velletje van mij nou altijd zo achter blijft lopen, sta ik tegen de tijd dat we ons zilveren huwelijksfeest vieren in ieder geval goed op de foto. Als een zeer stabiele, 31 lentes tellende dame. Niet in de verste verte lijkend op een een 56 jarige mevrouw met overgangsklachtjes.
dinsdag 23 augustus 2011
Knieën
Als ik naar beneden keek naar die onderdanen van mij, zag ik het wel... Die knieën van mij hadden hun beste tijd gehad. Het vel wat te los, het vet wat teveel. Gewoon geen mooie knieën. En af en toe dacht ik dan aan Nicole Kidman die er ooit in bepaalde kwaliteitsbladen van werd beschuldigd dat ze haar knieën had laten liften. Dat is me altijd bij gebleven omdat ik er toen echt geen bal van snapte dat iemand er op zou komen om haar knieën te laten liften. Misschien is daar mijn fascinatie voor knieën wel vandaan gekomen.
Zo lang ik me namelijk kan herinneren, kijk ik naar knieën. Misschien juist wel omdat die exemplaren van mij het nodige aan schoonheid te wensen overlaten. En dan spreek ik alleen nog maar van de voorkant. De achterkant, daar wordt ik gelukkig niet zo vaak mee geconfronteerd. Al weet ik helaas, van die keren dat ik blootbeens voor een dubbele spiegel stond, dat mijn kniëen ook van achteren geen schoonheidsprijs verdienen.
Maar goed, ik ben dus een knieënkijker. En dan zie je van alles voorbij komen. Je hebt exemplaren die precies tegenovergesteld zijn aan die van mij. Dun en pezig. Geen los velletje of overtollig vetje. Maar ook dat is niet mooi, heb ik gelukkig ontdekt. Je krijgt dan van die meisjes met onderdanen alsof ze van het mannelijk geslacht zijn. Van die knietjes die je normaal bij achtjarige jongetjes boven hun voetbalkousen uit ziet komen. De dag dat ik vaststelde dat dit nou ook weer niet je dat was, was een heuglijke. Want eigenlijk was de conclusie hetzelfde als de conclusie omtrent het uiterlijk van het mannelijke geslacht. ER BESTAAN GEEN MOOIE.
Sindsdien treed ik mijn knietjes wat liefdevoller tegemoet en ben ik ze vooral dankbaar voor hun prestaties. Ik ren er tenslotte heerlijk mee, en dat is belangrijker dan de look onder een rokje.
Tot gisteren. Vaderlief had weer de nodige dosis kwaliteitsbladen gekocht, zoals een goed vader betaamt in vakantietijd. En met groot genoegen las ik de glamourpagina waarin één of andere valse nicht zijn licht laat schijnen over de kleding van de sterren bij een haringparty of een andere festiviteit waar paparazzi op de loer liggen. En daar stond het. Een überslanke, stralende BN-er droeg een rokje tot boven de knie. Alles werd goedgekeurd, maar dat rokje moest langer. Want met die "klutsknieën" kon dat écht niet meer!....
Klutsknieën dus. Ik wist meteen dat Mike de Boer of Mari van de Ven de mijne ook zo zouden betitelen. Ze klutsen aan alle kanten. Ik wist het al, maar had er geen woord bij. En nu gaat het woord niet meer uit mijn hoofd. Het lukt me zelfs niet meer om liefdevol om laag te kijken en dankbaar te zijn voor de scharnierfunctie van mijn knietjes. Ik zie alleen nog maar klutsknieën en vraag me af waar Nicole haar nieuwe exemplaren vandaan had. Met de foto's van Jennifer Love Hewitt, die er in mijn ogen prachtig uit zag (en waarvan ik dacht...."ha zulke benen heb ik ook een beetje"), maar volgens velen te curvy (lees: vet) was voor haar korte rokje, nog in gedachten- vraag ik me af of het ooit nog goedkomt met mijn knieëncomplex. In ieder geval draag ik vandaag gewoon een rok tot boven die klutsknieën van me.
Zo lang ik me namelijk kan herinneren, kijk ik naar knieën. Misschien juist wel omdat die exemplaren van mij het nodige aan schoonheid te wensen overlaten. En dan spreek ik alleen nog maar van de voorkant. De achterkant, daar wordt ik gelukkig niet zo vaak mee geconfronteerd. Al weet ik helaas, van die keren dat ik blootbeens voor een dubbele spiegel stond, dat mijn kniëen ook van achteren geen schoonheidsprijs verdienen.
Maar goed, ik ben dus een knieënkijker. En dan zie je van alles voorbij komen. Je hebt exemplaren die precies tegenovergesteld zijn aan die van mij. Dun en pezig. Geen los velletje of overtollig vetje. Maar ook dat is niet mooi, heb ik gelukkig ontdekt. Je krijgt dan van die meisjes met onderdanen alsof ze van het mannelijk geslacht zijn. Van die knietjes die je normaal bij achtjarige jongetjes boven hun voetbalkousen uit ziet komen. De dag dat ik vaststelde dat dit nou ook weer niet je dat was, was een heuglijke. Want eigenlijk was de conclusie hetzelfde als de conclusie omtrent het uiterlijk van het mannelijke geslacht. ER BESTAAN GEEN MOOIE.
Sindsdien treed ik mijn knietjes wat liefdevoller tegemoet en ben ik ze vooral dankbaar voor hun prestaties. Ik ren er tenslotte heerlijk mee, en dat is belangrijker dan de look onder een rokje.
Tot gisteren. Vaderlief had weer de nodige dosis kwaliteitsbladen gekocht, zoals een goed vader betaamt in vakantietijd. En met groot genoegen las ik de glamourpagina waarin één of andere valse nicht zijn licht laat schijnen over de kleding van de sterren bij een haringparty of een andere festiviteit waar paparazzi op de loer liggen. En daar stond het. Een überslanke, stralende BN-er droeg een rokje tot boven de knie. Alles werd goedgekeurd, maar dat rokje moest langer. Want met die "klutsknieën" kon dat écht niet meer!....
Klutsknieën dus. Ik wist meteen dat Mike de Boer of Mari van de Ven de mijne ook zo zouden betitelen. Ze klutsen aan alle kanten. Ik wist het al, maar had er geen woord bij. En nu gaat het woord niet meer uit mijn hoofd. Het lukt me zelfs niet meer om liefdevol om laag te kijken en dankbaar te zijn voor de scharnierfunctie van mijn knietjes. Ik zie alleen nog maar klutsknieën en vraag me af waar Nicole haar nieuwe exemplaren vandaan had. Met de foto's van Jennifer Love Hewitt, die er in mijn ogen prachtig uit zag (en waarvan ik dacht...."ha zulke benen heb ik ook een beetje"), maar volgens velen te curvy (lees: vet) was voor haar korte rokje, nog in gedachten- vraag ik me af of het ooit nog goedkomt met mijn knieëncomplex. In ieder geval draag ik vandaag gewoon een rok tot boven die klutsknieën van me.
woensdag 27 juli 2011
Buik
Ik heb al vaker over ze geschreven. En gelukkig zorgen ze ook nu, ruim een jaar na hun protserige huwelijkssluiting in Italië, nog voor inspiratie. Wes & Yo. Was ik het glanzende, strakke trouwpakkie van Wes bíjna vergeten, dook daar ineens een foto van het ontblote bovenlichaam van het voetbalkoninkje op. En wát voor foto?! OMG! (vertaling voor de niet-twitteraars onder ons: Ow my god!)
Neehee, ik bedoel nu niet dat ik spontaan in katzwijm viel door de aanblik van een goddelijk voetballichaam. Integendeel! Verkeerde ik nog altijd in de veronderstelling dat alle profvoetballers een zalig wasbordje hebben, ook die illusie is inmiddels als een zeepbel uiteengespat. Want wat zag mijn oog? Een bol buikje met daarop iets wat in eerste instantie een vieze zwarte vlek leek. Even zag ik visioenen van de wolfsmensen die ik ooit in een documentaire zag en dacht ik dat Wes een vieze, harige plak op zijn buikje had. Maar nee, ik zag het verkeerd. Het was Yo. Nou ja, natuurlijk niet Yo zelf die met haar gezicht tegen zijn buik zat. Dan waren het ranzige foto's geweest met een te hoog pornogehalte om voor 11 uur 's avonds uitgezonden te worden. Het was een tattoeage van het hoofd van de kamperkoningin, de moeder van de grootste familie van Nederland. En het was maar goed dat Winston Gerstanowietsejemans dat er even bij zei. Had ie dat niet gedaan, dan had ik gedacht dat Wes fan was van de akelige horrorfilm "The Ring". Daarin kwam een klein meisje uit een put en ze had van dat vieze lange zwarte haar dat nat rond haar gezicht hing. Ik zou zweren dat hij haar op zijn buik had laten zetten, maar het was Yo. Misschien Yo die net onder de douche vandaan kwam, maar dat vertelde Winston er niet bij...
Weer een man met Yo op zijn lijf. Was die palingzanger uit Volendam nog zo slim om het bij letters te laten die hij gauw kon laten laseren, Wes heeft toch net weer wat hersencelletjes minder en smijt meteen een heel plakaat op zijn buik. Wat is dat toch met Yo, dat ze alle mannen in haar leven wil brandmerken tot de dood?
Ik ga er over nadenken en weet zeker dat ik ooit, in een volgende column, antwoord op die vraag kan geven. Als het me maar niet zoveel tijd kost dat we straks al weer foto's te zien krijgen van Wes met een grote vleeswond op zijn buik omdat hij niet langer fan van Yo is.
Neehee, ik bedoel nu niet dat ik spontaan in katzwijm viel door de aanblik van een goddelijk voetballichaam. Integendeel! Verkeerde ik nog altijd in de veronderstelling dat alle profvoetballers een zalig wasbordje hebben, ook die illusie is inmiddels als een zeepbel uiteengespat. Want wat zag mijn oog? Een bol buikje met daarop iets wat in eerste instantie een vieze zwarte vlek leek. Even zag ik visioenen van de wolfsmensen die ik ooit in een documentaire zag en dacht ik dat Wes een vieze, harige plak op zijn buikje had. Maar nee, ik zag het verkeerd. Het was Yo. Nou ja, natuurlijk niet Yo zelf die met haar gezicht tegen zijn buik zat. Dan waren het ranzige foto's geweest met een te hoog pornogehalte om voor 11 uur 's avonds uitgezonden te worden. Het was een tattoeage van het hoofd van de kamperkoningin, de moeder van de grootste familie van Nederland. En het was maar goed dat Winston Gerstanowietsejemans dat er even bij zei. Had ie dat niet gedaan, dan had ik gedacht dat Wes fan was van de akelige horrorfilm "The Ring". Daarin kwam een klein meisje uit een put en ze had van dat vieze lange zwarte haar dat nat rond haar gezicht hing. Ik zou zweren dat hij haar op zijn buik had laten zetten, maar het was Yo. Misschien Yo die net onder de douche vandaan kwam, maar dat vertelde Winston er niet bij...
Weer een man met Yo op zijn lijf. Was die palingzanger uit Volendam nog zo slim om het bij letters te laten die hij gauw kon laten laseren, Wes heeft toch net weer wat hersencelletjes minder en smijt meteen een heel plakaat op zijn buik. Wat is dat toch met Yo, dat ze alle mannen in haar leven wil brandmerken tot de dood?
Ik ga er over nadenken en weet zeker dat ik ooit, in een volgende column, antwoord op die vraag kan geven. Als het me maar niet zoveel tijd kost dat we straks al weer foto's te zien krijgen van Wes met een grote vleeswond op zijn buik omdat hij niet langer fan van Yo is.
My name is...
Mijn hele leven heet ik al zoals ik heet. Zonder nadenken neem ik op met de naam die mijn ouders mij gaven. Met de naam die staat voor een bedrijf waar ik trots op ben. Zonder nadenken onderteken ik dag in dag uit tientallen stukken en zie ik iedere keer die sierlijke letters die uit mijn pen vloeien en de naam vormen die bij me past.
Maar nu gaan X en ik trouwen. En ja, dan komt de vraag opborrelen of ik zijn naam ook aan ga nemen. Een terechte vraag en op zich simpel te beantwoorden met een ja of een nee. En tot voor kort leek het ook zo simpel, natuurlijk neem ik zijn naam aan. Heel mijn leven vond ik het de normaalste zaak van de wereld dat ik ooit de naam van mijn man aan zou nemen. Dat deed mijn oma, dat deed mijn moeder...en nu mag ik. Met dat kleine verschil dat zij allebei de naam aannamen die ik met mijn geboorte al meekreeg. Een naam waar ik trots op ben. Een naam die weergeeft dat ik hoor bij mijn ouders, dat we dezelfde genen hebben. En zo voelt het ook echt. Ik ben een echte 'van der M'. En hoe dichterbij de trouwdag komt, hoe lastiger ik het idee vind dat ik straks anders heet en er dus niet zo duidelijk meer bij hoor. Het voelt alsof ik afstand neem. En dat is het laatste wat ik wil.
De andere kant van de medaille is mijn nieuwe naam. Een uitzonderlijke, zeldzame naam die lekker in het gehoor ligt en gelukkig ook een beetje bij mijn voornaam past. En het mooiste van die naam is dat X hem draagt. Straks zijn we samen de familie T. En hoe degelijk en burgerlijk het ook klinkt, ik vind het heerlijk!
Dus eigenlijk is het namendilemma geen echt dilemma. Het is eigenlijk zoals met alles in het leven; voor elke deur die je sluit, gaat er een nieuwe open. Ik zie mijn leven en mijn naam dan maar als een soort draaideur. Mijn oude naam en alles wat daar bij hoort laat ik niet compleet achter, de deur blijft open terwijl ook de volgende deur, naar een nieuwe toekomst met een nieuwe naam, wagenwijd openstaat.
En voor de feministen onder ons; Natuurlijk weet ik dat hij ook mijn naam aan kan nemen en dat we dan ook gezellig hetzelfde heten. Maar dat doen we dus mooi niet. Ik kan hem net zo goed meteen chemisch castreren...sommige dingen zijn onbespreekbaar, ook voor mij.
Maar nu gaan X en ik trouwen. En ja, dan komt de vraag opborrelen of ik zijn naam ook aan ga nemen. Een terechte vraag en op zich simpel te beantwoorden met een ja of een nee. En tot voor kort leek het ook zo simpel, natuurlijk neem ik zijn naam aan. Heel mijn leven vond ik het de normaalste zaak van de wereld dat ik ooit de naam van mijn man aan zou nemen. Dat deed mijn oma, dat deed mijn moeder...en nu mag ik. Met dat kleine verschil dat zij allebei de naam aannamen die ik met mijn geboorte al meekreeg. Een naam waar ik trots op ben. Een naam die weergeeft dat ik hoor bij mijn ouders, dat we dezelfde genen hebben. En zo voelt het ook echt. Ik ben een echte 'van der M'. En hoe dichterbij de trouwdag komt, hoe lastiger ik het idee vind dat ik straks anders heet en er dus niet zo duidelijk meer bij hoor. Het voelt alsof ik afstand neem. En dat is het laatste wat ik wil.
De andere kant van de medaille is mijn nieuwe naam. Een uitzonderlijke, zeldzame naam die lekker in het gehoor ligt en gelukkig ook een beetje bij mijn voornaam past. En het mooiste van die naam is dat X hem draagt. Straks zijn we samen de familie T. En hoe degelijk en burgerlijk het ook klinkt, ik vind het heerlijk!
Dus eigenlijk is het namendilemma geen echt dilemma. Het is eigenlijk zoals met alles in het leven; voor elke deur die je sluit, gaat er een nieuwe open. Ik zie mijn leven en mijn naam dan maar als een soort draaideur. Mijn oude naam en alles wat daar bij hoort laat ik niet compleet achter, de deur blijft open terwijl ook de volgende deur, naar een nieuwe toekomst met een nieuwe naam, wagenwijd openstaat.
En voor de feministen onder ons; Natuurlijk weet ik dat hij ook mijn naam aan kan nemen en dat we dan ook gezellig hetzelfde heten. Maar dat doen we dus mooi niet. Ik kan hem net zo goed meteen chemisch castreren...sommige dingen zijn onbespreekbaar, ook voor mij.
zondag 24 juli 2011
Amy
Terwijl mijn hand nog lam is van het schrijven van de adressen op onze trouwkaarten, scroll ik met de muis over het beeldscherm en lees ik tot mijn schrik dat Amy Winehouse is overleden. In gedachten ga ik terug naar tijden waarin mijn hand geen pijn deed, maar mijn hart des te meer.
Ik zie mezelf zitten op de koude tegelvloer, tussen de openstaande kastdeurtjes van mijn tv- en stereokast. Keihard zong Amy dat ze terug zou gaan naar zwart en dat haar tranen vanzelf weer eens zouden drogen. Het rauwe randje aan haar stem, sneed scheurtjes in mijn trommelvlies en hoe hoger het volume, hoe zekerder ik wist dat mijn tranen ook wel weer eens zouden drogen.
Amy had gelijk. Mijn tranen zijn gedroogd en het leven lacht me weer toe. Nu luister ik liedjes die gespeeld zullen worden op de mooiste dag waarop ik met de liefde van mijn leven ga trouwen. Nooit zit ik meer tussen de kastdeurtjes mee te blèren met Amy. Ten eerste omdat die kast is gesneuveld dankzij een onhandige schoonvader toen ik ging samenwonen met X, maar vooral omdat de kleine verdrietjes die nu af en toe op mijn levenspad komen geen koude billen en zere oren meer nodig hebben.
Ik red het wel zonder Amy. Maar Amy heeft het niet gered. En dat stemt me droevig. Met dat grote haar, die zwarte ogen en al die plakplaatjes leek ze zo taai, zo sterk. En ze wist zo goed wat ik moest doen om er bovenop te komen. Maar ze was dus gewoon vier jaar jonger dan ik en ze had geen zangeres die háár er bovenop zong. Ze had de drank en de drugs nodig om dit leven te leiden of lijden. En nu is het voorbij.
Vandaag draag ik zwart en denk ik aan Amy. Back to black.
Ik zie mezelf zitten op de koude tegelvloer, tussen de openstaande kastdeurtjes van mijn tv- en stereokast. Keihard zong Amy dat ze terug zou gaan naar zwart en dat haar tranen vanzelf weer eens zouden drogen. Het rauwe randje aan haar stem, sneed scheurtjes in mijn trommelvlies en hoe hoger het volume, hoe zekerder ik wist dat mijn tranen ook wel weer eens zouden drogen.
Amy had gelijk. Mijn tranen zijn gedroogd en het leven lacht me weer toe. Nu luister ik liedjes die gespeeld zullen worden op de mooiste dag waarop ik met de liefde van mijn leven ga trouwen. Nooit zit ik meer tussen de kastdeurtjes mee te blèren met Amy. Ten eerste omdat die kast is gesneuveld dankzij een onhandige schoonvader toen ik ging samenwonen met X, maar vooral omdat de kleine verdrietjes die nu af en toe op mijn levenspad komen geen koude billen en zere oren meer nodig hebben.
Ik red het wel zonder Amy. Maar Amy heeft het niet gered. En dat stemt me droevig. Met dat grote haar, die zwarte ogen en al die plakplaatjes leek ze zo taai, zo sterk. En ze wist zo goed wat ik moest doen om er bovenop te komen. Maar ze was dus gewoon vier jaar jonger dan ik en ze had geen zangeres die háár er bovenop zong. Ze had de drank en de drugs nodig om dit leven te leiden of lijden. En nu is het voorbij.
Vandaag draag ik zwart en denk ik aan Amy. Back to black.
woensdag 20 juli 2011
Dag pake
Een maand geleden zag ik zijn witte gelaat - dat een week daarvoor nog zo ontzettend rood van alle kleine adertjes in zijn wangen was geweest - en voelde ik zijn koude, verstilde handen - die een week geleden nog zo warm en handig een bordje warm eten wegwerkten alsof het niets was.
De tijd vloog met hem. En de tijd vliegt ook zonder hem vrolijk verder. Het is een gekke gewaarwording. Alles is nog hetzelfde, maar mijn moeder heeft haar vader niet meer. Het einde van een tijdperk. Het einde van een leven. Een leven dat zich niet laat omschrijven als prachtig of geweldig. Een man die zich niet laat omschrijven als makkelijk en warm. En dat vervult me op momenten dat ik alleen ben, en me bewust wordt van de eindigheid der dingen, met een treurig gevoel. Tegelijkertijd leert het me veel.
Lessen over onvoorwaardelijke liefde van een kind voor zijn of haar vader. Mijn pake was niet altijd geliefd maar er werd altijd van hem gehouden. En hij wordt gemist door alle drie zijn kinderen en door al zijn kleinkinderen. Ondanks alles. En dankzij alles. Lessen over hoe ik het niet moet doen in het leven, over wat onbelangrijk is en over waar ik echt voor zou moeten gaan.
Ik realiseer me dat zelfs de lastigste pake een belangrijk deel van mijn leven is, een belangrijk deel van mijn persoonlijkheid heeft bepaald. En ik ben verdrietig omdat er een einde aan het tijdperk is gekomen waarin ik nog van hem kon leren terwijl hij naast me zat. Nu leer ik terwijl ik in gedachten naar hem kijk. En dan zie ik een man die uit angst en teleurstelling niet goed van het leven kon genieten. Zijn woorden spraken niet van liefde. Maar zijn daden wel. Jammer dat hij eerst moest sterven om me dat te realiseren.
Rust zacht lieve, bijzondere pake.
De tijd vloog met hem. En de tijd vliegt ook zonder hem vrolijk verder. Het is een gekke gewaarwording. Alles is nog hetzelfde, maar mijn moeder heeft haar vader niet meer. Het einde van een tijdperk. Het einde van een leven. Een leven dat zich niet laat omschrijven als prachtig of geweldig. Een man die zich niet laat omschrijven als makkelijk en warm. En dat vervult me op momenten dat ik alleen ben, en me bewust wordt van de eindigheid der dingen, met een treurig gevoel. Tegelijkertijd leert het me veel.
Lessen over onvoorwaardelijke liefde van een kind voor zijn of haar vader. Mijn pake was niet altijd geliefd maar er werd altijd van hem gehouden. En hij wordt gemist door alle drie zijn kinderen en door al zijn kleinkinderen. Ondanks alles. En dankzij alles. Lessen over hoe ik het niet moet doen in het leven, over wat onbelangrijk is en over waar ik echt voor zou moeten gaan.
Ik realiseer me dat zelfs de lastigste pake een belangrijk deel van mijn leven is, een belangrijk deel van mijn persoonlijkheid heeft bepaald. En ik ben verdrietig omdat er een einde aan het tijdperk is gekomen waarin ik nog van hem kon leren terwijl hij naast me zat. Nu leer ik terwijl ik in gedachten naar hem kijk. En dan zie ik een man die uit angst en teleurstelling niet goed van het leven kon genieten. Zijn woorden spraken niet van liefde. Maar zijn daden wel. Jammer dat hij eerst moest sterven om me dat te realiseren.
Rust zacht lieve, bijzondere pake.
dinsdag 19 juli 2011
Plopperdeplop
Vriendlief (en bijna manlief) snurkt wel eens wat. En dat is soms gezellig, maar meestal hoogst irritant. Dus wat doe je dan? Apart slapen? Nee, natuurlijk niet. Daar beginnen we niet aan. Een por geven als het te erg is, dat werkt ook niet want twee tellen later ligt hij weer op zijn rug. Lief vragen of hij op zijn zij wil gaan liggen, dat werkte tot voor kort nog wel aardig. Inmiddels is ook die methode achterhaald, want meneer draait niet meer zijn hele lijf op de zij, nee in al zijn slaperige wijsheid draait hij nu alleen nog maar zijn hoofd een slagje. En dat maakt qua decibellen dus geen enkel verschil.
Gelukkig zijn er oordopjes. De hemel zij geprezen voor de uitvinding van die dingen. Tenminste, zo dacht ik er tot voor kort over. Tot voor kort was tot vorige week. Tot het plopperdeplop-moment. Stel je het volgende voor: ik zit in mijn pyamaatje, met een handdoek om mijn haar, op de rand van het bed en pak de oordopjes uit de la van mijn nachtkastje. Het zijn van die oranje sponsachtige dingen, die je even een stukje inknijpt zodat ze in je oor weer uit kunnen zetten en al het gesnurk buiten sluiten. Een prachtsysteem in al haar eenvoud. Ik pak het dopje tussen duim en wijsvinger, knijp er in en duw het in mijn oor. En dan ineens voel ik: PLOP.
Mijn hart last een kleine pauze in tussen twee slagen om goed vast te kunnen stellen dat ik echt PLOP voelde. En ja, het was een plop. Een plop van het soort: oei oei oei nu zit het dopje wat te diep. Toen mijn hart weer rustig verder sloeg ben ik daarom heel kordaat - zonder mijn oor te bewegen - naar mijn toilettasje gelopen, heb ik mijn pincet gepakt, ben ik weer op de rand van het bed gaan zitten en zou ik dit varkentje wel eens even snel wassen. Dus hup dat pincet in mijn oor, de pootjes om het dopje en trekken maar.... Daar komt ie! Niet. Een stukje oranje spons zit pietepeuterig tussen het pincet, maar het dopje blijft waar hij zit. Nog een keer. Shit! Hetzelfde verhaal. Nog een keer, en nog een keer en nog een keer.... Op het bed liggen inmiddels al een paar oranje minisponsjes. Maar geen dopje. Bij elke poging brokkelt mijn masker van uiterlijke kalmte verder af en nader ik het stadium van paniek. Ik doe nog een hele goede en zeer pijnlijke poging, maar dat ding zit muur- en dan ook echt muurvast.
De dokterswacht wil het niet proberen. Ik moet maar gaan slapen en de volgende dag naar de KNO arts. Als de paniek wat is gezakt, lukt het me zowaar om te gaan slapen. Om de volgende dag wakker te worden met een pijn! Niet te geloven. Ik kon wel naar de dokter kruipen. Maar zo werkt het natuurlijk niet. Eerst bellen, dan verwijzing en dan eindelijk die stofzuiger in mijn oor.... Dat werkte ook niet. Toen een haak....weer geen succes. Maar dan: de grote tang... ik verga van de pijn, maar voel dat er beweging in de dop komt. En dan: engelen beginnen te zingen, de zon breekt door, mijn hart vervult zich met warmte: HIJ IS ER UIT!!!
Mensen neem een momentje de tijd om je bewust te worden van het heerlijke gevoel van lege, vrije gehoorgangen. We nemen het allemaal maar voor vanzelfsprekend aan. Maar dat is het niet meer als je een plopperdeplop moment hebt meegemaakt.
Gelukkig zijn er oordopjes. De hemel zij geprezen voor de uitvinding van die dingen. Tenminste, zo dacht ik er tot voor kort over. Tot voor kort was tot vorige week. Tot het plopperdeplop-moment. Stel je het volgende voor: ik zit in mijn pyamaatje, met een handdoek om mijn haar, op de rand van het bed en pak de oordopjes uit de la van mijn nachtkastje. Het zijn van die oranje sponsachtige dingen, die je even een stukje inknijpt zodat ze in je oor weer uit kunnen zetten en al het gesnurk buiten sluiten. Een prachtsysteem in al haar eenvoud. Ik pak het dopje tussen duim en wijsvinger, knijp er in en duw het in mijn oor. En dan ineens voel ik: PLOP.
Mijn hart last een kleine pauze in tussen twee slagen om goed vast te kunnen stellen dat ik echt PLOP voelde. En ja, het was een plop. Een plop van het soort: oei oei oei nu zit het dopje wat te diep. Toen mijn hart weer rustig verder sloeg ben ik daarom heel kordaat - zonder mijn oor te bewegen - naar mijn toilettasje gelopen, heb ik mijn pincet gepakt, ben ik weer op de rand van het bed gaan zitten en zou ik dit varkentje wel eens even snel wassen. Dus hup dat pincet in mijn oor, de pootjes om het dopje en trekken maar.... Daar komt ie! Niet. Een stukje oranje spons zit pietepeuterig tussen het pincet, maar het dopje blijft waar hij zit. Nog een keer. Shit! Hetzelfde verhaal. Nog een keer, en nog een keer en nog een keer.... Op het bed liggen inmiddels al een paar oranje minisponsjes. Maar geen dopje. Bij elke poging brokkelt mijn masker van uiterlijke kalmte verder af en nader ik het stadium van paniek. Ik doe nog een hele goede en zeer pijnlijke poging, maar dat ding zit muur- en dan ook echt muurvast.
De dokterswacht wil het niet proberen. Ik moet maar gaan slapen en de volgende dag naar de KNO arts. Als de paniek wat is gezakt, lukt het me zowaar om te gaan slapen. Om de volgende dag wakker te worden met een pijn! Niet te geloven. Ik kon wel naar de dokter kruipen. Maar zo werkt het natuurlijk niet. Eerst bellen, dan verwijzing en dan eindelijk die stofzuiger in mijn oor.... Dat werkte ook niet. Toen een haak....weer geen succes. Maar dan: de grote tang... ik verga van de pijn, maar voel dat er beweging in de dop komt. En dan: engelen beginnen te zingen, de zon breekt door, mijn hart vervult zich met warmte: HIJ IS ER UIT!!!
Mensen neem een momentje de tijd om je bewust te worden van het heerlijke gevoel van lege, vrije gehoorgangen. We nemen het allemaal maar voor vanzelfsprekend aan. Maar dat is het niet meer als je een plopperdeplop moment hebt meegemaakt.
Get a life
Het hoosde en ik was al laat voor een belangrijke dag op het werk. Zo'n dag waarop je niet met de mascara tot op de knietjes en de miss-wet-tshirt-look op de tietjes op je werk kunt verschijnen. Bij wijze van uitzondering sprong ik dus in mijn dikke Chevy (Matiz) en reed ik dankzij mijn autorisatie om mijn scootertje te parkeren, de parkeerkelder van kantoor in. Plaats genoeg en ik koos er lukraak eentje uit met het idee dat er in de vakantietijd altijd plaats genoeg is.
Tien minuten later zat ik - voldaan over mijn slimme actie - met droge knietjes (en andere lichaamsdelen) in de zaal te luisteren naar de belangrijke dingen die daar werden besproken tot opeens een tekst onder in mijn beeldscherm oplichtte: "Ben je levensmoe ofzo? Je staat op de plek van X".
O mijn god!!! De plek van X. Ik weet zeker dat de aanwezigen in de zaal het spiertje dat spontaan nerveus onder mijn oog begon te trillen, niet hebben gezien. Maar mijn stokkende ademhaling was tot in de uithoeken van het gebouw te horen. Hoe stom kon ik zijn!?
Misschien is hier enige toelichting over collega X nodig om te begrijpen waar mijn angsthazen-reactie vandaan kwam. Collega X is van het soort; dieren zijn liever en beter dan mensen. Collega X is van het soort; is dat al goedgekeurd door de OR? Collega X is van het soort: iedereen is naar en heeft het slecht met me voor. Collega X is van een soort negativiteit en klagerigheid die tegenwoordig niet meer gemaakt wordt (gelukkig).
En uitgerekend op de plek van die sikkeneurige, boze vrouw, parkeer ik op goed geluk mijn auto. En dan zijn de rapen dus gaar. Ieder ander zou zeggen: niet meer doen, het is irritant. En dan zou ik mijn excuses maken en zeggen dat ze gelijk hebben. Maar niet collega X. Zij stormt bij mijn collega naar binnen en vraagt hem om mij te leren me normaal te gedragen. Zij schreeuwt over de gang scheldwoorden gevolgd door mijn naam en maakt op die manier haar ongenoegen kenbaar bij een ieder. Maar niet bij mij. Nee, ik moet het via via vernemen van collega's die haar woede naspelen en me gekscherend bang proberen te maken. Met als klap op de vuurpijl dat collega X er nu werk van maakt dat mijn autorisatie om mijn scootertje in de kelder te parkeren, wordt ingetrokken.
Nu zul je misschien denken dat ik moet lachen om zoveel gekkigheid. Maar nee, dat lukt me niet. Ik voel me geintimideerd en wordt nerveus van zoveel onaardigheid. Helemaal nu mijn excuses niet hielpen en ze het feit dat ik haar aansprak op het gescheld, betitelde als "zuigen". Ik was - naief als ik kennelijk ben - in de veronderstelling dat "zuigen" een term is die 14-jarige pubers tegen elkaar bezigen als ze het hebben over de 5 voor Engels. Vind het niet echt een term voor vrouwen van over de 50 die (over het algemeen) een goed stel hersens lijken te hebben. Dus ja, wat moet je daar dan nog op zeggen? Geen idee... feit is dat er nu dus een collega is die mijn bloed wel kan drinken. En waarom? Volgens mij niet om die parkeerplaats... als psycholoog van de koude grond maak ik er maar van dat er meer achter zit. Geen idee wat, maar het gaat er bij mij niet in dat iemand zich dagen achtereen druk kan maken over zo'n futiliteit. Get a life!, zou ik bijna puberaal willen zeggen. En dan een gekke bek erbij trekken...misschien communiceren we dan wel op hetzelfde niveau.
Tien minuten later zat ik - voldaan over mijn slimme actie - met droge knietjes (en andere lichaamsdelen) in de zaal te luisteren naar de belangrijke dingen die daar werden besproken tot opeens een tekst onder in mijn beeldscherm oplichtte: "Ben je levensmoe ofzo? Je staat op de plek van X".
O mijn god!!! De plek van X. Ik weet zeker dat de aanwezigen in de zaal het spiertje dat spontaan nerveus onder mijn oog begon te trillen, niet hebben gezien. Maar mijn stokkende ademhaling was tot in de uithoeken van het gebouw te horen. Hoe stom kon ik zijn!?
Misschien is hier enige toelichting over collega X nodig om te begrijpen waar mijn angsthazen-reactie vandaan kwam. Collega X is van het soort; dieren zijn liever en beter dan mensen. Collega X is van het soort; is dat al goedgekeurd door de OR? Collega X is van het soort: iedereen is naar en heeft het slecht met me voor. Collega X is van een soort negativiteit en klagerigheid die tegenwoordig niet meer gemaakt wordt (gelukkig).
En uitgerekend op de plek van die sikkeneurige, boze vrouw, parkeer ik op goed geluk mijn auto. En dan zijn de rapen dus gaar. Ieder ander zou zeggen: niet meer doen, het is irritant. En dan zou ik mijn excuses maken en zeggen dat ze gelijk hebben. Maar niet collega X. Zij stormt bij mijn collega naar binnen en vraagt hem om mij te leren me normaal te gedragen. Zij schreeuwt over de gang scheldwoorden gevolgd door mijn naam en maakt op die manier haar ongenoegen kenbaar bij een ieder. Maar niet bij mij. Nee, ik moet het via via vernemen van collega's die haar woede naspelen en me gekscherend bang proberen te maken. Met als klap op de vuurpijl dat collega X er nu werk van maakt dat mijn autorisatie om mijn scootertje in de kelder te parkeren, wordt ingetrokken.
Nu zul je misschien denken dat ik moet lachen om zoveel gekkigheid. Maar nee, dat lukt me niet. Ik voel me geintimideerd en wordt nerveus van zoveel onaardigheid. Helemaal nu mijn excuses niet hielpen en ze het feit dat ik haar aansprak op het gescheld, betitelde als "zuigen". Ik was - naief als ik kennelijk ben - in de veronderstelling dat "zuigen" een term is die 14-jarige pubers tegen elkaar bezigen als ze het hebben over de 5 voor Engels. Vind het niet echt een term voor vrouwen van over de 50 die (over het algemeen) een goed stel hersens lijken te hebben. Dus ja, wat moet je daar dan nog op zeggen? Geen idee... feit is dat er nu dus een collega is die mijn bloed wel kan drinken. En waarom? Volgens mij niet om die parkeerplaats... als psycholoog van de koude grond maak ik er maar van dat er meer achter zit. Geen idee wat, maar het gaat er bij mij niet in dat iemand zich dagen achtereen druk kan maken over zo'n futiliteit. Get a life!, zou ik bijna puberaal willen zeggen. En dan een gekke bek erbij trekken...misschien communiceren we dan wel op hetzelfde niveau.
donderdag 14 april 2011
The bright side of life
Een drup valt op het dossier. Ik laat mijn haar om mijn hoofd hangen en hoop dat mijn collega het vallen van mijn traan niet heeft gehoord. Ik snif eens wat en knipper snel mijn ogen droog. Doordacht wend ik voor dat ik chagerijnig wordt van wat ik lees. Ik zet mijn gezicht in de best mogelijke frons die ik kan faken.
Dan vraagt ie wat ik er van denk. Shit, knak, jank. Ik stamel wat excuses en probeer me na een dipsessie met wat tissues meteen weer als een harde op te stellen. Stuntelig probeer ik mijn emoties weg te lachen onder het mom van: "Het is mijn dag niet, het zijn de hormonen" en ander zwak geneuzel wat alleen maar duidelijker maakt dat ik me even totaal geen raad weet met de situatie.
We hebben het er nooit over, die collega en ik, maar hij weet dat me ooit iets naars is overkomen. En hij heeft een paar keer van me gehoord dat het goed met me gaat en dat ik er helemaal van genezen ben. En nu zit ik hier te grienen door de letters op het papier. Door de woorden van een vrouw en een man die een soortgelijke relatie hadden als ik heb gehad. Volslagen onbekenden die op een zelfde manier met elkaar omgingen als ik en mijn ex. Ziekelijk, koud, hard en hartverscheurend.
Ik lees vaker over ongelukkige liefdes en de nare consequenties die daarmee gepaard kunnen gaan. Nooit betrek ik het op mezelf, want het gaat niet over mezelf. Maar zij zegt de dingen die ik had kunnen zeggen en omschrijft een man, waarvan ik bijna zou denken dat ik naast hém lag toen ik mezelf in slaap huilde.
Op weg naar huis blijven de tranen branden. Maar huilen op de fiets, achter een dikke zonnebril, dat heb ik in mijn leven wel genoeg gedaan. Ik slik en hoor een piepje in mijn zak. Een sms van mijn collega. Always look on the bright side of life.... Ik fluit het bijbehorende riedeltje en laat met elke duw tegen de trappers mijn verleden weer een stukje verder achter me.
Dan vraagt ie wat ik er van denk. Shit, knak, jank. Ik stamel wat excuses en probeer me na een dipsessie met wat tissues meteen weer als een harde op te stellen. Stuntelig probeer ik mijn emoties weg te lachen onder het mom van: "Het is mijn dag niet, het zijn de hormonen" en ander zwak geneuzel wat alleen maar duidelijker maakt dat ik me even totaal geen raad weet met de situatie.
We hebben het er nooit over, die collega en ik, maar hij weet dat me ooit iets naars is overkomen. En hij heeft een paar keer van me gehoord dat het goed met me gaat en dat ik er helemaal van genezen ben. En nu zit ik hier te grienen door de letters op het papier. Door de woorden van een vrouw en een man die een soortgelijke relatie hadden als ik heb gehad. Volslagen onbekenden die op een zelfde manier met elkaar omgingen als ik en mijn ex. Ziekelijk, koud, hard en hartverscheurend.
Ik lees vaker over ongelukkige liefdes en de nare consequenties die daarmee gepaard kunnen gaan. Nooit betrek ik het op mezelf, want het gaat niet over mezelf. Maar zij zegt de dingen die ik had kunnen zeggen en omschrijft een man, waarvan ik bijna zou denken dat ik naast hém lag toen ik mezelf in slaap huilde.
Op weg naar huis blijven de tranen branden. Maar huilen op de fiets, achter een dikke zonnebril, dat heb ik in mijn leven wel genoeg gedaan. Ik slik en hoor een piepje in mijn zak. Een sms van mijn collega. Always look on the bright side of life.... Ik fluit het bijbehorende riedeltje en laat met elke duw tegen de trappers mijn verleden weer een stukje verder achter me.
dinsdag 12 april 2011
Blauwe ogen
Ik kijk naar zijn ogen. Dat is het enige wat ze me laten zien. Hij wil niet dat we weten hoe hij er uit ziet. Ik begrijp het niet. Hij heeft toch levenslang? Wat maakt het uit dat ik weet hoe hij er uit ziet. Er is nou niet bepaald een risico aanwezig dat ik hem ooit op straat zal tegenkomen en dat ik mijn vriendin of moeder dan aan zal stoten en achter zijn rug zal fluisteren; "Zie je die man daar, die heeft ooit drie mensen neergeschoten."
Zijn ogen. Ze zijn blauw, met een beetje groen. Ze doen me denken aan de kleur van zeeën waar ik graag in zwem. Het lijken vriendelijke ogen. Ook een beetje verdrietig. En dat is natuurlijk niet gek, want hij vertelt dat het voelt alsof iedereen om hem heen ooit een keer de loterij wint, behalve hij. Iedereen komt een keer vrij, behalve hij. Want dat is de realiteit bij levenslang.
Nooit dacht ik er langer over na dan een paar seconden. Nooit vroeg ik me af hoe een leven er uit ziet als er alleen nog levenslang over is. Als je tussen bewakers moet leven die na je corvee tegen je zeggen; Goed gedaan jongen, jij mag blijven. Nooit vroeg ik me af wat je doet met je tijd, hoe je de dagen doorkomt. Nu wel. Nu bedenk ik me dat je weinig anders kunt dan lezen, sporten, mailen en langzaamaan sterven. Iedere dag een beetje dichter bij het einde van je straf.
Hij knippert met zijn ogen en het valt me op dat de huid tussen zijn wimpers zo mooi glanst. Zou hij cremetjes gebruiken? Maar waarom zou je cremetjes gebruiken als je nooit weer een voet buiten die vier muren zal zetten. Vier muren, zes plankjes. Wat is het verschil? Het enige verschil is dat je tussen die vier muren je ogen nog open hebt. Die ogen die me doen denken aan een zee waarin hij nooit meer zal zwemmen.
Zijn ogen. Ze zijn blauw, met een beetje groen. Ze doen me denken aan de kleur van zeeën waar ik graag in zwem. Het lijken vriendelijke ogen. Ook een beetje verdrietig. En dat is natuurlijk niet gek, want hij vertelt dat het voelt alsof iedereen om hem heen ooit een keer de loterij wint, behalve hij. Iedereen komt een keer vrij, behalve hij. Want dat is de realiteit bij levenslang.
Nooit dacht ik er langer over na dan een paar seconden. Nooit vroeg ik me af hoe een leven er uit ziet als er alleen nog levenslang over is. Als je tussen bewakers moet leven die na je corvee tegen je zeggen; Goed gedaan jongen, jij mag blijven. Nooit vroeg ik me af wat je doet met je tijd, hoe je de dagen doorkomt. Nu wel. Nu bedenk ik me dat je weinig anders kunt dan lezen, sporten, mailen en langzaamaan sterven. Iedere dag een beetje dichter bij het einde van je straf.
Hij knippert met zijn ogen en het valt me op dat de huid tussen zijn wimpers zo mooi glanst. Zou hij cremetjes gebruiken? Maar waarom zou je cremetjes gebruiken als je nooit weer een voet buiten die vier muren zal zetten. Vier muren, zes plankjes. Wat is het verschil? Het enige verschil is dat je tussen die vier muren je ogen nog open hebt. Die ogen die me doen denken aan een zee waarin hij nooit meer zal zwemmen.
zondag 6 februari 2011
De geschiedenis van mijn angst
Je hand zoekt de mijne. De mijne vindt de jouwe. Samen liggen ze, innig verstrengeld op mijn schoot. Jouw warmte verwarmt mijn koude vingers, mijn bovenbeen en mijn hart. Om ons heen is het donker, de lichten van tegemoet komende auto's en ver weg liggende steden zorgen voor een bijna romantisch schouwspel. Ik voel me rustig, tevreden en gelukkig. De kilometers snelweg vliegen onder ons door en brengen me opeens even terug bij een andere hand, terug naar een ander gevoel.
De vorige hand voelde zo anders. Kouder, dat zowiezo. Maar niet alleen in graden Celsius. Ook een ander soort koud. De kou die je voelt als je aan iets naars denkt. Een soort angstige, koude rilling. En terwijl ik stil sta bij de angst die ik voeldetoen ik die hand krampachtig vasthield, realiseer ik me ineens dat ik me al heel lang niet meer zo gevoeld heb. De angst lijkt verdwenen. Maar dat kan bijna niet, dus ik doe mijn best om iets te bedenken waarvoor ik vrees. Buiten de standaard dingen, zoals het verliezen van dierbaren of de angst om voor een grote groep mensen te spreken, komt er niets bij me op. Er is geen verlammende angst op de achtergrond aanwezig waartegen ik dag in dag uit een keiharde strijd moet leveren.
Ik begin bijna aan mezelf te twijfelen. Want 'bang' is bijna synoniem aan mijn voornaam. Ik kan me niet anders herinneren of ik was wel ergens bang voor. Het begon met het poedeltje van oma, daarna kwamen de enge katten, het wakker liggen omdat papa en mama toch eens dood zouden gaan, de angst om van mijn fiets gesleurd te worden, de angst voor inbrekers, het bang zijn voor het einde van mijn eerste relatie, de angst voor presentaties, en uiteindelijk de allesomvattende angst die mijn leven de laatste jaren heeft gedomineerd. De angst die samenhangt met een vernietigende liefde, de schade die een fatale liefde toebrengt. Angst van het ergste soort.
Ooit vertelde iemand met verstand van zaken me dat ik mezelf niet moest toestaan om vaker dan één keer per dag bang te zijn. Zijn advies bleek lange tijd uitvoerbaar. Maar niet meer op het moment dat ik de hand met de lange, slanke vingers en de droge velletjes om zijn nagels in de mijne hield en de tranen voelde branden omdat ik niet wist wat voor hart het bloed door die vingers pompte. Omdat ik door die hand niet de liefde terugkreeg die ik met mijn beide handen en heel mijn hart voor hem over had.
En nu zit ik hier met jouw hand in de mijne. Ik voel je hartslag, die jouw liefde een weg laat banen richting mijn handen. Die me jouw gelukkige glimlach laat voelen, zonder dat ik naar links hoef te kijken om in het licht van het dashboard vast te stellen dat je inderdaad zo gelukkig straalt. En opeens hoor ik je brommerige stem heel zachtjes en voorzichtig meezingen met Adele en weet ik dat ik nooit meer echt bang hoef te zijn.
De vorige hand voelde zo anders. Kouder, dat zowiezo. Maar niet alleen in graden Celsius. Ook een ander soort koud. De kou die je voelt als je aan iets naars denkt. Een soort angstige, koude rilling. En terwijl ik stil sta bij de angst die ik voeldetoen ik die hand krampachtig vasthield, realiseer ik me ineens dat ik me al heel lang niet meer zo gevoeld heb. De angst lijkt verdwenen. Maar dat kan bijna niet, dus ik doe mijn best om iets te bedenken waarvoor ik vrees. Buiten de standaard dingen, zoals het verliezen van dierbaren of de angst om voor een grote groep mensen te spreken, komt er niets bij me op. Er is geen verlammende angst op de achtergrond aanwezig waartegen ik dag in dag uit een keiharde strijd moet leveren.
Ik begin bijna aan mezelf te twijfelen. Want 'bang' is bijna synoniem aan mijn voornaam. Ik kan me niet anders herinneren of ik was wel ergens bang voor. Het begon met het poedeltje van oma, daarna kwamen de enge katten, het wakker liggen omdat papa en mama toch eens dood zouden gaan, de angst om van mijn fiets gesleurd te worden, de angst voor inbrekers, het bang zijn voor het einde van mijn eerste relatie, de angst voor presentaties, en uiteindelijk de allesomvattende angst die mijn leven de laatste jaren heeft gedomineerd. De angst die samenhangt met een vernietigende liefde, de schade die een fatale liefde toebrengt. Angst van het ergste soort.
Ooit vertelde iemand met verstand van zaken me dat ik mezelf niet moest toestaan om vaker dan één keer per dag bang te zijn. Zijn advies bleek lange tijd uitvoerbaar. Maar niet meer op het moment dat ik de hand met de lange, slanke vingers en de droge velletjes om zijn nagels in de mijne hield en de tranen voelde branden omdat ik niet wist wat voor hart het bloed door die vingers pompte. Omdat ik door die hand niet de liefde terugkreeg die ik met mijn beide handen en heel mijn hart voor hem over had.
En nu zit ik hier met jouw hand in de mijne. Ik voel je hartslag, die jouw liefde een weg laat banen richting mijn handen. Die me jouw gelukkige glimlach laat voelen, zonder dat ik naar links hoef te kijken om in het licht van het dashboard vast te stellen dat je inderdaad zo gelukkig straalt. En opeens hoor ik je brommerige stem heel zachtjes en voorzichtig meezingen met Adele en weet ik dat ik nooit meer echt bang hoef te zijn.
donderdag 27 januari 2011
Boos
Ik ben boos. Gewoon boos, geirriteerd, prikkelbaar. En ik moet niet eens ongesteld worden. En toch zit er een gigantische frons tussen mijn wenkbrauwen en hangen mijn mondhoeken bijna voorbij mijn kaaklijn. Wanneer is het begonnen? Waar komt die boosheid vandaan? Is het iets tijdelijks, een oprisping van het vluchtige soort of gaat het om een sluimerende woede die al langer in mijn huist en nu ineens zijn weg naar mijn gezicht, mijn onderbuikgevoel en mijn bloeddruk heeft gevonden?
Ik hoop het eerste maar vrees het laatste. Ik ben boos over Jan Kooijman die op televisie zit te verkondigen dat hij een baby krijgt nadat ik eerst de 12-weken echo van één of andere suffe soapacteur heb zitten bekijken. Boos omdat vriendinnetje W al zo ontzettend lang, zo ontzettend graag een kindje hoopt te krijgen en maar nooit een keer geluk heeft. Ik ben boos omdat Mirko dood is. Natuurlijk kon ik op mijn vingers natellen dat hij niet ineens weer bij zijn ouders op de stoep zou staan en natuurlijk heb ik de afgelopen dagen niet telkens aan hem gedacht. Maar dat er één of andere vader! in Duitsland is geweest die het arme, prachtige jongetje heeft gedood en daarna ook nog eens zo stom is om de auto waarin hij destijds reed in Nederland te verkopen, dat maakt me zo boos. Mijn bloed kolkt bijna als ik dan ook nog denk aan Sahar. Dat mooie meisje uit het asielzoekerscentrum dat heel kort heeft gedacht dat ze gewoon kon blijven voetballen in Nederland en niet terughoefde naar een voetballoos Afghanistan, maar nu weer tussen hoop en vrees moet leven omdat minister Leers het nodig vindt om in hoger beroep te gaan tegen de verleende verblijfsvergunning. Ik wordt misselijk van kwaadheid als ik nadenk over alle tijd en geld die al in de politiemissie naar het geboorteland van Sahar is gestoken, zonder dat er ook maar één agent voet op zanderige bodem heeft gezet. En terwijl ik dit typ bijt ik mijn onderlip bijna stuk van frustratie als ik nadenk over het verband tussen het hoger beroep van Leers en de discussie over politie in Afghanistan. Hallo Den Haag!!! Als we het te link vinden om onze politiemannen met wapens naar dat land te sturen, dan kunnen we toch niet serieus vinden dat een totaal ingeburgerd 14-jarig meisje na 8 jaar weer terugmoet naar die woestijn vol bermbommen? Ben ik nou zo slim of zijn jullie nou zo dom?
En dan kijk ik even omhoog naar de televisie en zie ik een fragment van La vita é bella en spontaan klaart de frons een beetje op en betrap ik mezelf op een minuscuul barstje in mijn schild van boosheid. Een film die ik niet kan zien zonder voortdurend te glimlachen om vervolgens de zoute tranen van ontroering en verdriet van mijn wangen te vegen. Een film die zó boos zou kunnen maken, maar dat toch niet doet. Omdat de liefde van de vader voor de zoon dwars door alles heen gaat. Omdat de moed en het optimisme overtuigend en aanstekelijk zijn. En opeens, door mijn boosheid heen, voel ik het nu ook. Dat glimpje zon dat altijd weer om de wolken heen weet te piepen. Dat straaltje warmte dat de kilte in mijn hart een stukje ontdooit. Vriendin W is geen moeder, maar heeft een liefdevol huwelijk. Mirko is niet meer en dat is ruk. Maar er is ontzettend veel van hem gehouden. Sahar zit in onzekerheid, maar haar hele school leeft met haar mee. De politiemensen moeten misschien tegen wil en dank naar Afghanistan, maar ze zullen gemist worden. En hoe boos of chagerijnig ik ook ben... X houdt altijd nog wel een heel klein beetje van me.
Ik hoop het eerste maar vrees het laatste. Ik ben boos over Jan Kooijman die op televisie zit te verkondigen dat hij een baby krijgt nadat ik eerst de 12-weken echo van één of andere suffe soapacteur heb zitten bekijken. Boos omdat vriendinnetje W al zo ontzettend lang, zo ontzettend graag een kindje hoopt te krijgen en maar nooit een keer geluk heeft. Ik ben boos omdat Mirko dood is. Natuurlijk kon ik op mijn vingers natellen dat hij niet ineens weer bij zijn ouders op de stoep zou staan en natuurlijk heb ik de afgelopen dagen niet telkens aan hem gedacht. Maar dat er één of andere vader! in Duitsland is geweest die het arme, prachtige jongetje heeft gedood en daarna ook nog eens zo stom is om de auto waarin hij destijds reed in Nederland te verkopen, dat maakt me zo boos. Mijn bloed kolkt bijna als ik dan ook nog denk aan Sahar. Dat mooie meisje uit het asielzoekerscentrum dat heel kort heeft gedacht dat ze gewoon kon blijven voetballen in Nederland en niet terughoefde naar een voetballoos Afghanistan, maar nu weer tussen hoop en vrees moet leven omdat minister Leers het nodig vindt om in hoger beroep te gaan tegen de verleende verblijfsvergunning. Ik wordt misselijk van kwaadheid als ik nadenk over alle tijd en geld die al in de politiemissie naar het geboorteland van Sahar is gestoken, zonder dat er ook maar één agent voet op zanderige bodem heeft gezet. En terwijl ik dit typ bijt ik mijn onderlip bijna stuk van frustratie als ik nadenk over het verband tussen het hoger beroep van Leers en de discussie over politie in Afghanistan. Hallo Den Haag!!! Als we het te link vinden om onze politiemannen met wapens naar dat land te sturen, dan kunnen we toch niet serieus vinden dat een totaal ingeburgerd 14-jarig meisje na 8 jaar weer terugmoet naar die woestijn vol bermbommen? Ben ik nou zo slim of zijn jullie nou zo dom?
En dan kijk ik even omhoog naar de televisie en zie ik een fragment van La vita é bella en spontaan klaart de frons een beetje op en betrap ik mezelf op een minuscuul barstje in mijn schild van boosheid. Een film die ik niet kan zien zonder voortdurend te glimlachen om vervolgens de zoute tranen van ontroering en verdriet van mijn wangen te vegen. Een film die zó boos zou kunnen maken, maar dat toch niet doet. Omdat de liefde van de vader voor de zoon dwars door alles heen gaat. Omdat de moed en het optimisme overtuigend en aanstekelijk zijn. En opeens, door mijn boosheid heen, voel ik het nu ook. Dat glimpje zon dat altijd weer om de wolken heen weet te piepen. Dat straaltje warmte dat de kilte in mijn hart een stukje ontdooit. Vriendin W is geen moeder, maar heeft een liefdevol huwelijk. Mirko is niet meer en dat is ruk. Maar er is ontzettend veel van hem gehouden. Sahar zit in onzekerheid, maar haar hele school leeft met haar mee. De politiemensen moeten misschien tegen wil en dank naar Afghanistan, maar ze zullen gemist worden. En hoe boos of chagerijnig ik ook ben... X houdt altijd nog wel een heel klein beetje van me.
zondag 23 januari 2011
Op de eigenzinnigheid
"Op jou! En op de eigenzinnigheid!" Het is niet nu en ik ben niet ik. Ik ben een rechter, werk in Groningen en zit na een dag op kantoor even voor een afzakkertje met mijn collega in de kroeg. Hij was er aan toe. Vandaag kwam de gehele vaderlandse pers naar het noorden van het land door zijn beslissing. Hij belde me om te vragen of ik zin had om ons samen te verstoppen voor de cameras. En natuurlijk zei ik daar geen nee tegen. Niemand anders zou me op dit moment meer kunnen boeien dan hij. Op dit moment is hij even mijn held.
Nee, had hij er absoluut niet voor gekozen om vreemdelingenrechter te worden. Daar kiest geen mens voor nu de wet door Cohen en Verdonk zo is dichtgetimmerd dat je er als rechter niks maar dan ook niks meer mee kunt. Een vreemdelingenrechter is niets anders meer dan een stempelmachine. Een machine die zelden tot nooit "JA" stempelt. Toch was hij op die gevreesde stoel terecht gekomen en op een dag was daar Sahar. Een meisje uit het AZC in Sint Annaparochie dat naar het gymnasium in Leeuwarden gaat. Een meisje dat op foto's staat in oranje shirt terwijl zij samen met haar hollandse vriendinnetjes het Nederlands elftal aanmoedigt. Een meisje dat goed kan leren en vloeiend Nederlands spreekt. Een meisje dat al ruim acht jaren in Nederland woont. Meer dan de helft van haar leven. Een meisje dat houdt van voetbal en zeilen en dat doen meisjes niet in Afghanistan.
En hij draaide in zijn stoel en las haar dossier. Hij krabde op zijn hoofd en zuchtte eens diep. Hij kroop 's nachts tegen zijn vrouw aan en vroeg haar wat hij er mee aan moest. Zijn vrouw wist het ook niet en fluisterde zacht: "Ga nou maar slapen lieverd, het komt allemaal wel goed. Het geeft niet dat Hart van Nederland komt filmen. Je bent hartstikke mooi op beeld." Mopperend had hij zich omgedraaid. Hart van Nederland was wel het laatste waar hij over inzat. Nee, minister Leers en de PVV-ers hielden hem van zijn schaarse nachtrust.
En nu zitten we hier. Hij heeft zijn hart laten spreken, dwars door alle regeltjes in het wetboek heen. Dwars tegen de rechtse stroming in. Sahar mag blijven als het aan hem ligt. En als het aan mij ligt ook. Dwars en trots toasten we op zijn moed en eigenzinnigheid. Nu maar afwachten wat Leers en zijn IND doen. Hij heeft in ieder geval een signaal afgegeven. Een signaal waar we niet omheen kunnen. En ik hoop ooit ook zo eigenzinnig te durven zijn en net zo te stralen in de camera van Hart van Nederland, ondanks de slapeloze nachten die soms horen bij het vak van rechter. Proost, op Sahar.
Nee, had hij er absoluut niet voor gekozen om vreemdelingenrechter te worden. Daar kiest geen mens voor nu de wet door Cohen en Verdonk zo is dichtgetimmerd dat je er als rechter niks maar dan ook niks meer mee kunt. Een vreemdelingenrechter is niets anders meer dan een stempelmachine. Een machine die zelden tot nooit "JA" stempelt. Toch was hij op die gevreesde stoel terecht gekomen en op een dag was daar Sahar. Een meisje uit het AZC in Sint Annaparochie dat naar het gymnasium in Leeuwarden gaat. Een meisje dat op foto's staat in oranje shirt terwijl zij samen met haar hollandse vriendinnetjes het Nederlands elftal aanmoedigt. Een meisje dat goed kan leren en vloeiend Nederlands spreekt. Een meisje dat al ruim acht jaren in Nederland woont. Meer dan de helft van haar leven. Een meisje dat houdt van voetbal en zeilen en dat doen meisjes niet in Afghanistan.
En hij draaide in zijn stoel en las haar dossier. Hij krabde op zijn hoofd en zuchtte eens diep. Hij kroop 's nachts tegen zijn vrouw aan en vroeg haar wat hij er mee aan moest. Zijn vrouw wist het ook niet en fluisterde zacht: "Ga nou maar slapen lieverd, het komt allemaal wel goed. Het geeft niet dat Hart van Nederland komt filmen. Je bent hartstikke mooi op beeld." Mopperend had hij zich omgedraaid. Hart van Nederland was wel het laatste waar hij over inzat. Nee, minister Leers en de PVV-ers hielden hem van zijn schaarse nachtrust.
En nu zitten we hier. Hij heeft zijn hart laten spreken, dwars door alle regeltjes in het wetboek heen. Dwars tegen de rechtse stroming in. Sahar mag blijven als het aan hem ligt. En als het aan mij ligt ook. Dwars en trots toasten we op zijn moed en eigenzinnigheid. Nu maar afwachten wat Leers en zijn IND doen. Hij heeft in ieder geval een signaal afgegeven. Een signaal waar we niet omheen kunnen. En ik hoop ooit ook zo eigenzinnig te durven zijn en net zo te stralen in de camera van Hart van Nederland, ondanks de slapeloze nachten die soms horen bij het vak van rechter. Proost, op Sahar.
Abonneren op:
Posts (Atom)
